Categorie archief: Fictie

Gelukkig maar een droom: Gasten

Een grote hoge ruimte met op de vloer de tekening van een radius, een horoscoop. De mijne. Ik herken hem aan sterrenbeelden, de concentratie planeten in Ram, de grote vierkanten. Alleen, verder niemand, tenminste, dat dacht ik. Tot achter me een stem klinkt die ik alleen als ‘smooth’ kan omschrijven. Een bekende stem van een man met een glimlach, een ideale vader, een perfect mens in de zin dat hij zijn eigen imperfecties kent en daar met humor omheen leeft. Zo goddam bloody perfect dat ik hem nooit heb vertrouwd, en naar nu blijkt achteraf, een boel vrouwen ook niet. Hij neemt me mee naar mijn Ascendant, de volhouder en de trage maar goede leerling en vraagt me wat ik van hem heb geleerd. “Now what did you learn here son?”. Dat ik hem haat ja en dat je kan spelen dat je geduld hebt? Ik ben in verwarring.

Een man met een knerpende stem klinkt van links achter me. Het contrast met de stem van de zwarte man die me hier neerzette kan nauwelijks pijnlijker… “Ik zou dit natuuwlijk niet vwagen Bill, als ik geen onomstotelijke aanwijzingen had, maaw, waawom heb je al die vwouwen zo geminacht en vewnedewd? En waawom heb je hem hiew op zijn ascendant gezet?. Dat is natuuwlijk om de aandacht af te leiden van je eigen vewachtelijke houding tegenovew vwouwen, geef het maaw gewoon toe”. De vierkante kaken en het beeld van het inmiddels afwezige snorretje branden op mijn netvlies. Ik snap inderdaad nog niet wat ik hier doe en waarom Petew W zich hiermee komt bemoeien. Wat moet ik met die zelfingenomen mannen? Wat doe ik op mijn radius, op de plaats van het ‘leren door pijn en volharding’?

“Peter, ik weet dat je deze zaak al jaren volgt”. “Indewdaad, ik heb in mijn pwogwamma meewmalen aandacht besteed aan het gedoe van Bill met de Ascendant van andewe mensen. Hij..”. “Peter ik vraag mij af wat de zin is…”. Ik kijk om me heen. Ze doet de bovenste knoop van haar bloesje los, schudt haar blonde haar, spert haar grote ogen nog iets wijder open en mompelt ‘tieten’….Wat doet ze hier en waarom praat ze met hem en niet met mij? Ik sta te leren, ik weet niet wat. Wat doet iedereen hier. Het gesprek ontgaat me verder volledig. Dit is geen pijn, dit zijn mensen waarmee het schuurt als ik ze zie. Wat schuurt er dan? Bram hier? Bram schuurt altijd, dat hij haar heeft veroverd schuurt minder, het maakt haar minder boeiend. Wat is er dan aan Bram?

“Elke keer als ik mijn kind kwaad deed dacht ik weer, Cliff zou Claire vragon de andere kinderon in de keukon op te sluiton en Cliff zou in zo’n gesprek dat alle opvoedboekon zou sieron aan zijn de regels overtredende zoon hebbon gevraagd, waarom houd jij niet van Jimmy Hendrikx”. Jezus, Nico of all people, het meest over het paard getilde … nee, dat is Warhol, maar in Nederland kan je nauwelijks meer overschat wordon dan… Gordon, ok… Ik, zie Cliff knikken. Hij loopt naar de keuken en haalt uit de koelkast iets vets dat hij opeet en glimlacht. Wat doen al die lui hier. Welke idioot jaagt ze mijn leven in, waarom bemoeien ze zich met mijn droom. Mijn radius staat vol met irritant volk. Who let the dogs in… Ze zijn er niet voor mij maar voor zichzelf. En toch moet ik er iets mee.

“De Nederlandse regering… leeft mee met de slachtoffers van de politionele acties en begrijpt het leed…”. Klootzak, maak excuses. We hebben gemoord en verkracht met grote willekeur. Mensen die het niet verdienen. Ik hou van je jongen, maar verdomme laat die door de angst voor herstelbetalingen en schadevergoedingen op basis van internationaal recht bepaalde voorzichtigheid nou eens los en buig je hoofd in schaamte voor het domme volk dat we ooit waren en dus zijn. Onmenselijk waren we en we waren de enige niet. We waren net zo onmenselijk als de vijand. En als toen we nog slavenhandelaars waren en uitbuitende kolonialisten. Of is het iets dat we ook nooit uit onszelf zouden willen toegeven? Dat we dat internationale recht helemaal niet nodig hebben om geremd te zijn in het toegeven dat we niet deugen? En dat we graag in het middelpunt staan en belangrijk en goed gevonden worden?: Gelukkig droom ik het maar en moet ik al die gasten die via het scherm de huiskamer binnenkomen maar niet toelaten om me te confronteren met mijn ergernis aan perfectie, alwetendheid en narcistische zelfingenomenheid omdat ik weet dat ik het niet ben, maar net zo goed en zo vol zelfvertrouwen en perfectie had willen zijn… en Eva toch wel had willen…? En durf ik het wel, zo erg eerlijk mezelf zijn?

Puberkramp

And I hope that I don’t fall in love with you. Falling in love just makes me blue.**
Het was druk. Er was ook weer een dixielandband. Bij het podium stonden wat tafeltjes met stoelen en ook langs de muur stonden wat stoelen. De meeste mensen stonden langs de kant of dansten. Hij stond zelf met zijn vrienden in het midden van de lange muur. Zij zat met een jongen in een donkere trui aan een tafeltje met koffie. Ze was er vaker. Jurkje met petticoat tot de knie, blote armen, donkerblonde krullen. Er was iets aan haar, iets magnetisch. Zijn ogen werden naar haar toegezogen. Elke lijn, van haar armen, haar hals de bewegingen van haar handen, alles werd deel van zijn aanwezigheid, de muziek verstilde. Er leek zich een licht gekleurde cocon, een slurf te vormen, om hen samen heen, samen maar ver uit elkaar. Het was warm in hun eigen wereld. Of hun eigen wereld, zijn wereld waarin zij wat verder weg zich onbewust van hem en zijn betovering in gesprek was met een ander. Warmer was het in hun samenzijn in hem, dan het al was in de zaal met al die mensen die dansten en dronken.
Ze had een ingetogen stijl van dansen. Ze werd een beetje stijf met een rechte rug. Ze keek haar danspartner niet aan maar hield haar ogen op zijn borst gericht. Het was niet zozeer afweer, maar gedeeltelijke afwezigheid, zo dicht bij de adem, de handen en de benen, de borst van een jongen of man. Het was die wat teruggetrokken manier van contact maken die hem hoop gaf, hoop dat ze wel met iemand was maar eigenlijk op iemand wachtte die haar zou losmaken, en die hoop deed de betovering dieper naar binnen slaan. Nu zat ze daar aan dat tafeltje met die jongen in die donkere trui, maar hij kon haar als ie zijn ogen sloot ook zien dansen.

And I hope that I don’t fall in love with you. Ze kon geen naam hebben. Een naam maakte haar een gewoon mens en zou de betovering verbreken. Ze kon niet op een school zitten –in ieder geval niet op de zijne want hij zag haar alleen maar hier. Niet in een winkel werken, daar was ze het type niet naar, dat stille en teruggetrokkene, dat paste niet. Ze kon geen echte vriend hebben. Ze zat ook nu weer ver van die jongen vandaan. Ze spraken wel, maar maakten geen contact. Er was geen aanraking van handen. Die sierlijke handen die op de zijne wachtten, alsof ze daar was neergezet voor hem, alleen wist ze het nog niet.
Hij kreeg een por in zijn ribben. De meisjes van zijn vrienden waren gekomen en nu stond hij alleen, zijn vrienden dansten nu. Als ze er ooit…. Als hij er ooit… Ze zou hem moeten zien, horen, ze moest zijn bestaan ontdekken. Hij zou haar ten dans kunnen vragen, die jongen deed niets. Nee het is te vroeg. Nee, hij heeft eigenlijk haar ogen nooit goed gezien. Weet niets van hun uitdrukking. Zijn benen doen zeer, plotseling. Zijn handen zweten en meisjes houden niet van zweethanden. Hij liep naar het toilet om zijn handen te wassen. Langs haar en dat was eigenlijk de verkeerde kant op. Ze keek op, afwezig, toen hij langsliep. Haar linkeroog was lichter dan het rechter, groener dan het rechtse bruine. Hij verdween in die verschillende ogen en struikelde over de voeten van de jongen een tafeltje verder…

And I hope that I don’t fall in love with you. Hij waste zijn handen en liet zijn voorhoofd rusten tegen de koele spiegel. Zijn hart klopte snel. Rustig blijven. Het leek of dat geen moeite kostte. Alsof hij er op twee manieren tegelijk was, gespannen opgenomen in iets beangstigend groters dat hij niet begreep en een beetje met m op de loop ging, en tegelijkertijd zo rustig en verstild, bijna verlamd. Die verlamming was geruststellend. Het maakte m ook een beetje stoer. Dat moest toch indruk maken, dat hij er een beetje boven stond of zoiets. Hij durfde in elk geval weer naar binnen. Zijn vrienden dansten nog. Zes weken geleden had hij gedanst met Gerda, het meisje van één van zijn vrienden. Ze had m uitgelachen om zijn gebrekkige manier van dansen. Hij kon het eigenlijk nog maar nauwelijks. Zijn zus had het m een beetje geleerd, vluchtig en ongeïnteresseerd, zoals oudere zussen dat kunnen doen. Gerda had gegrinnikt om zijn haar dat alle kanten op stond. Afwasborsteltje, zei ze. Ze praatte honderduit en hij ook. Tussen hem en Gerda zat die spanning niet. Gerda was van zijn vriend. Ze schaterden om elkaars grappen en toen de band iets langzaams begon te spelen legde ze haar armen om zijn hals en vlijde zich tegen hem aan. Hij voelde nog hoe zijn hoofd rood werd van alle zachts en ronds dat hij tegen zich aan voelde bewegen, hoe hij iets voelde kloppen in zijn keel en wilde kussen. Hoe hij zijn handen voelde verkrampen om van haar borsten te kunnen afblijven. “ik voel je gekkie” zei Gerda en liet hem los. Ze liep naar het toilet. Met ..haar, haar met de verschillende ogen, de donkerblonde krullen.. zou hij dat nooit … of juist wel? De jongen in de donkere trui was weg. Ze zat er nog. In haar kleine wereldje, teruggetrokken, maar toch met iets zelfbewusts. Keek naar een glas cola en was alleen…

And I hope that you don’t fall in love with me. Ze is vast net zo eenzaam als jij jongen, Net zo bang. Net zo onzeker. Ze wil vast net als jij gewoon, ja wat wil een meisje? Gewoon aandacht? Of begrepen worden, of zich veilig voelen en niet zo afstandelijk zijn? Of sterke armen om haar heen als ze de eigenaar ervan vertrouwt. Dat jij er niet driest op af stormt en gaat veroveren. Dan trekt ze zich juist vast terug. Wat wil ze dan en hoe benader je haar dan? Dat ze er nog zit moet iets betekenen, dat ze niet meeging met die jongen of gewoon anders gelijk met hem vertrok. Zou ze ook jouw ogen hebben gezien, of zachtjes hebben gegrinnikt om je afwasborstelhaar, al had hij daar nu vet in gedaan om het in bedwang te krijgen…. ? Je kan haar nu ten dans vragen… Nee dan lijk je te gretig, die andere knul is net weg. Stoer wachten nog.
Hij besloot ook een cola te gaan halen en liep weer langs haar en weer keek ze vluchtig op. Hij was er nu nog minder op voorbereid dan de eerste keer. Hij voelde de blos tot onder zijn boord kloppen en het zweet op zijn voorhoofd komen. Zijn stem deed het niet, hij moest de cola aanwijzen. Jezus, wie ben jij nou helemaal, wat stel je voor, wat bied je aan zo’n schoonheid, zo’n verstilde … ja, wat heb je nou te bieden? Blozen? Struikelen? Bij het eerste het beste dansje waar een vrouw dichterbij komt een voelbare …. ? Niks stoere beheersing. Maar die ogen die halen alle woorden uit zijn hoofd. Die lijn van die hals.. je kan alleen maar je vuisten ballen en verkrampen. Falling in love just makes you blue… Hij loopt met zijn cola terug naar zijn plekje aan de muur. Gerda zwijmelt nu zo in de armen van zijn vriend. Zou ze hem ook voelen?

And I think that I just fell in love with you….Toen hij weer opkeek zag hij haar nog juist weglopen met één van de jongens die bij de band hoorden. Waar de kunst op afstraalde. Die elke week wel een andere konden krijgen. Zijn hand losjes om haar schouder. Ze kwamen niet terug. Haar plekje bij het podium was leeg, het colaflesje halfleeg. Er was ineens iets absurds, iets leegs. Hij kon haar nu nog zo voor de geest halen. Hij zag die ogen, die nu naar hem keken en lachten, haar neus trok ze iets op als ze lachte. Hij zag haar wenken. Hij voelde hoe zijn stem terugkwam en hoe hij zachtjes zei hoe hij heette en luisterde niet naar haar naam. En hij wist dat hij haar nu veilig onder zijn jas mee naar huis kon nemen….

**Met dank aan Tom Waits

kippen

Het is nog fris. De dauwdruppels liggen nog op de tuinstoelen voor het huisje. Er hangt een mengsel van geuren, zoals natte aarde en gisteren gemaaid gras. De nog wat magere zonnestralen verwarmen wel, je krijgt zin om buiten te ontbijten. In de verte loeit een koe. Bij de buren legt een kip luidkeels een ei en de andere kippen tokkelen zachtjes tegen elkaar. Je kent dat gevoel? Zo aan het begin van een nieuwe vakantiedag vol plannen? Om ook buiten de vakantie dit soort gewaarwordingen te kunnen krijgen namen we kippen. Veertig jaar geleden toen we nog in Haaksbergen woonden.
Het was niet omdat het leven leeg was of zo, zonder kippen. We hadden al twee katten, Kobus, de hond was dan weliswaar overleden, maar er stond al een volière met tropische vogeltjes in de tuin, binnen een kooi met een dwergpapagaaitje en we hadden ook een aquarium. En we hadden werk, alleen nog geen kinderen, nog net niet. Onze kater, Plurk, was een notoire jager, maar hij heeft de kippen alleen gepest, door er hard naartoe te stuiven en er vlak voor in te houden terwijl ze hard kakelend uit elkaar stoven. De groenteman had t geregeld, de kippen en een oud hok van een boer die aan het stoppen was. Nynke heeft in die zomer toen ze één jaar was de kuikentjes door de tuin zien scharrelen. Toen we naar Enschede verhuisden hebben we de kippen weggedaan.

Na een paar jaar in Enschede, duur huis, drie kinderen, steeds minder vakanties, begon het vooral bij Els weer te kriebelen. Awel, ik heb een kippenhok gebricoleerd, met ren en leghok. En we hebben weer kippen opgescharreld. Vier en een haan net als in Haaksbergen. Alleen, van die kuikentjes kwam het niet. Na de eerste nacht kregen we bezoek, van de buurvrouw. Het ging niet om haar, maar om de buurman. Het was niet dat hij er zomaar een hekel aan had om een haan te horen kraaien. Nee. Het was zijn diepste ziekmaker, zijn heftigste bron van verontwaardiging en moordzucht. Hij was die morgen om zes uur ziek en woedend opgestaan en naar zijn werk gegaan met de onuitgesproken vraag in zijn ogen toen hij zijn vrouw aankeek: Doe er wat aan….jij, ik kan het niet meer.
U werkte op de universiteit, maar was in zijn hart en gedeeltelijk feitelijk ook musicus. Jazz. Hij had een bandje, dat het huisorkest was van het jazzpodium in de stad. Hij had platen gemaakt en trad regelmatig op met Amerikaanse bassisten, zangeressen of trompettisten. U had de leefstijl die daarbij paste. Spelen tot diep in de stille nacht, ook alleen, maar soms met vrienden. Hij werkte vaak s avonds of in het weekend aan artikelen en had daardoor van de universiteit de ruimte gekregen om laat te beginnen. Het nachtbraken werd op het werk niet geremd. Door hanen wel. Vooral s zomers, als hij tegen zonsopgang naar bed ging en de hanen hun eerste vreugde uitten over de beginnende dag, kwam er van slapen niets meer terecht. U woonde toen ergens anders, naast Gerrit. Ik kende Gerrit van de oudercommissie. Een administratief organisator, die twee passies had: kweken van krielkippen en het organiseren van tentoonstellingen van kippen, vogels, kleine dieren, maakt niet uit. Gerrit was in al zijn vezels een kippenman, die ook graag prijzen wou winnen met zijn kippen en dus secuur fokte. En voor fokken heb je haantjes nodig. Hier botsten twee werelden vol passie. De liefde voor de haan en de morgen versus de liefde voor muziek en de nacht. En het was ook duidelijk wie er zou sneven: de man met slaaptekort. Want haantjes van krielen hebben de gewoonte om niet alleen bij zonsopgang te kraaien, nee, die “gilkippen” zoals U ze noemde, doen het met tussenpozen zo lang het licht is.

Maar U vocht terug. Het kon niet zo zijn dat zo’n idiote hobby van de één het leven van de ander zo zou kunnen ruïneren. Hij vertelde me het verhaal nadat de beheerder van de kinderboerderij me had uitgelegd hoe en hoe laat ik het best de haan kon vangen en toestemming gaf om de steen des aanstoots in de avondschemering over het hek te gooien. U regelde een taperecorder en een richtmicrofoon en posteerde zich op het balkon. Het was eind juni en een uur of vier in de morgen. De haan, nee de hanen, Gerrit had meerdere koppeltjes, deden hun best. Hij propte daarna zijn oren weer vol met watten, trok de dekens over zijn hoofd en probeerde vergeefs wat te slapen. Om negen uur was hij met zijn opname bij het politiebureau en deed aangifte van burengerucht en gezins- en levens-ontwrichting zo noemde hij het als ik me goed herinnerde. Hij was er tegen die tijd slecht aan toe, had wallen onder de ogen en vertoonde zoals hij zelf zei , paranoïde gedrag. Hij schrok voortdurend, had woedeaanvallen en functioneerde op het werk slecht. Het muziekseizoen was -gelukkig- ten einde. Hij had de indruk dat hij ook niet meer spelen kon. De ontreddering droop er zo af dat de dienstdoende agenten met hem te doen hadden en zijn klacht serieus oppakten.
Een paar weken later installeerde een agent op U’s balkon de nodige apparatuur. Een bandrecorder, maar ook een decibelmeter e.d. De boedel werd de volgende morgen door een andere agent opgehaald. Twee dagen later kwam er een telefoontje van een nogal boze politieman. Het geluidsniveau was niet boven normen, maar wat de deur rond U’s klacht dicht deed, was dat het gekraai op de band van U niet overeenkwam met het gekraai op de politieband. De agenten hadden Gerrit gesproken, die uiterst vriendelijk en zoals altijd flegmatiek had gereageerd en had gezegd dat hij zijn buurman altijd al een beetje nerveus vond, maar dat hij geen zin had om een punt te maken van al die nachtelijke muziek. De politie vond dat ze misbruikt was voor het slechten van een vervelend opgeklopt burenruzietje en zag in U duidelijk de aanstichter ervan. Gerrit, die van al die opnamen niets wist, had in de twee weken tussen de twee opnamen, zijn prijskippen goed kunnen verkopen en was begonnen aan nieuwe koppeltjes van een wat ander ras. En dat wisten U en de agenten dan weer niet. U heeft zijn huis verkocht en het 2-onder-1-kap-huis gekocht, waarvan wij later de andere helft kochten. En was naar eigen zeggen pas een jaar weer in normale doen, toen hij op die ochtend werd wakker geschreeuwd door mijn “verdomde gilkip”. Hij sprak opeens met hoofdletters en keek of hij me zou aanvliegen, een glas wijn dempte de woede snel.

Maar het was nog niet gedaan. Van onze vier kippen gingen er drie leggen. Er was er één die een beetje baasje en politieagentje speelde, opzichterde. Het was overduidelijk geen haan, zoals je snel ziet aan staart en kammen en zo. Gewoon een kip. Die in de tweede lente bij ons in de tuin voor het eerst probeerde om in het ochtendgloren een haan te imiteren. Els en ik waren er doorheen geslapen, het was zacht en ernstig mislukt zo bleek later, zo niet U. Hij belde die avond vanuit een andere plaats. Hij was gaan logeren bij vrienden. Maar hij was woest en verdrietig. Dat we nou toch, ondanks alle verhalen en het in zijn ogen oprecht gemeende begrip onzerzijds, toch, hoe haal je het in je hoofd Judas, toch weer een haan… Ik was net wakker genoeg om in lachen uit te barsten en duidelijk te maken dat ik vier kippen had en geen haan. En dat hij zich niet zo… en dat was dan weer nog verschrikkelijker tegen zijn zere been, kortom, het was geen telefoongesprek waarin bruggen werden geslagen. Het misverstand en ergernis en wantrouwen en, en… klotste tegen de plinten en was geheel wederzijds. Maar één ding was duidelijk: een keiharde eis dat die gilkip zou worden verwijderd of onthoofd. Ik heb die middag Gerrit gebeld.
Gerrit bevestigde dat bij een koppeltje kippen zonder haan er, gedragstechnisch gezien, wel eens geslachtsveranderingen optraden. Zo’n kip ging dan alle dingen doen die hanen ook deden. Werd agressiever, probeerde de andere kippen te bevruchten en ja, je raadt het al, probeerde dan ook te kakelen. Sommige kippen lukt dat na oefening heel aardig zei Gerrit. Het is een kwestie van afwachten tot de politie ook bij mij zou staan met een bandje. We zijn die middag maar weer naar de opzichter van de kinderboerderij gegaan en hebben de dames een dag later in de schemering over het hek gegooid. Ik wou eerst het wonder van de kraaiende kip zelf horen. Het leek er (nog) niet op, maar ja wat doe je… goede buren en verre vrienden en zo… In het gebricoleerde hok hebben we nog een tijdje marmotten en konijntjes gehad, tot een marter het hele zootje uitmoordde. Het hok werd ook opgeruimd. Ik schat 1985. Sindsdien waren we kiploos tot deze zomer. U woont er niet meer, nieuwe buren, nieuwe kansen.

Els heeft ze –fonetisch dan- haaiesint, vaajelet en rooozzz genoemd, onze drie kippen. Geen haan dus, gezien l’histoire d’U en geen behoefte aan kansen op herhaling. We hebben ze voor een zacht prijsje gekocht bij een raskippenkweker, die zag dat we het niet deden voor de prijzen op tentoonstellingen. Het zijn Antwerpse Baardkrielen, waar een haantje van een Vechtkriel te dicht bij in de buurt heeft gelopen om ze ooit nog ergens op een vereniging te kunnen laten zien. In het najaar gingen ze leggen. Daar heb je ze toch voor? Gratis eieren? Nou gratis…. Wat je daar niet allemaal naar toe sjouwt… (Voor 3 mini-eitjes in 4 dagen, gemiddeld… per kip dan. Okee, het levert dus al gauw 20 eitjes in de week op) Nou, meel, mais, graan, maagkiezel, geperste brokjes waar “alles” inzit behalve grit en die maagkiezel die ze nodig hebben om graan en mais te kunnen verteren, grit met veel kalk voor de schaalvorming, maar die brokjes willen ze alleen eten als ze sterven van de honger, meelwormen, plaggen uit de hoek van de tuin, fruit en groenten… en natuurlijk stro in het leghok en beukensnippers op de grond, en oja, het kippenhok zelf natuurlijk… Volgens mij moeten we nog tien jaar dagelijks gratis eieren eten voor we de investeringen eruit hebben, maar allee.
Twee weken geleden bleef Violet (ja Els kan ze uit elkaar houden, ik niet) op het stro zitten in het leghok. Ze zat op vier eieren, waaronder dus minstens twee van haar zussen. En hoopte op een onbevlekte ontvangenis. Een paar dagen later schoof Rooozz aan. Allebei een paar uur per dag op één ei, want we haalden ze elke dag weg. Na ruim een week zaten ze alle drie binnen. De eerste week hebben we Vaajelet alleen gezien als we de eieren kwamen stelen, maar na een week kwam ze er smorgens even een minuut of tien af om te eten en te drinken. Toen ze met zn drieën zaten te teuten in het leghok, zagen we ze wel veel vaker. Na een paar dagen hadden we ze weer terug en scharrelen ze weer door de ren, trappen plaggen kapot en horen we ze weer –eigenlijk deed Els het daar dus voor, vakantiesentiment- met dat langgerekte thaooooook tegen mekaar praten, maar geen uithalen meer, want eieren ho maar. De dames zijn van de leg, maar wel vreten, jongen. Als ik bij de Welkoop weer voor een paar tientjes voer en troep sta af te rekenen en naast de pinautomaat die stapel eierdozen in de aanbieding zie staan, denk ik Sodeknetter, wat voordelig, maar ja
De uitdrukking ” als een kip zonder kop” kan zonder evidente gevolgen gewoon ook worden vervangen door “als een kip met kop”. Rooozz was broedse dame nummer 2 en Haaiesint kwam als laatste een beetje half gezelschap houden. Na een dag of twee weer met z’n drieën in de ren, zit nu Haaiesint trots op een berg stro. Zonder ei(eren) in het nest, want niemand legt nog. Dit is niet meer hopen op een bijbels wonder, de onbevlekte ontvangenis, dit staat qua wonder nog een treetje hoger. Een wonder boven wonder. Ik geef de hoop op kippenverstand nu volledig op….