Categorie archief: (eigen)wijs

Levenscrisissen

Elk een beetje normaal leven, en dan bedoel ik een leven dat niet geteisterd wordt door rampen als ongeneeslijke ziekten, verlies van partners of kinderen, etc. kent een aantal moeilijke fasen, momenten waarop alles los lijkt te zitten: de puberteit, de overgang/midlifecrisis en de ouderdomscrisis.
Die crises worden in ieder geval getypeerd door een afwezigheid van voorspelbaarheid en vanzelfsprekendheid. En als je over van alles tegelijk plotseling diep moet gaan nadenken en je daar niet zomaar de vermogens, de begrippen en de ervaringskaders voor hebt wordt dat lijden.
En die crises hangen ook samen met wat er gebeurt in een aantal domeinen. Domeinen die ik soms als concentrische cirkels teken, soms als taartpunten, daar ben ik nog niet uit.
Het eerste domein is ego, zelf, lijf. In de puberteit verandert daar veel. Geslachtrijpheid, genderkeuze, verliefdheid waarin je jezelf kunt verliezen, bewustzijn van schoonheid, kritiek op of ontevredenheid met dat veranderende lijf, etc. Er ontstaat veel meer bewustzijn van en dus daarmee ook onzekerheid over identiteit.
Het tweede domein is je thuis. Je relatie met je ouders verandert fundamenteel, je maakt je los. Je wilt nooit zo worden zoals zij. En wie zijn zij eigenlijk dat ze denken dat ze voor je kunnen denken. Je thuis wordt van een veilige plek iets dat in ieder geval veel ambiguïteit oproept.
Het derde domein is het domein van het serieuze leven. De school in je puberteit, je werk later. School is stom. Leraren zijn stom, je vrienden en medeleerlingen hebben oordelen over je, waar wil je bij horen? Lukt het je om op de voor jou ideale school te komen? Kan je eigenlijk wel kiezen tussen die stomme vakkenpakketten? Hoe kleed je je dan?
Het vierde domein is het niet serieuze sociale leven. Heb je wel vrienden, zien de mensen die jij bewondert jou wel staan? Hoe gaat het eigenlijk met jou op sport, of pianoles?
Het vijfde domein heeft te maken met de grote wereld, de klimaatcrisis, de vluchtelingen, Rutte of Trump of Jesse, zijn er wel banen, is het wel eerlijk verdeeld?
Het zesde domein heeft te maken met zin of spiritualiteit. In mijn puberteit was dat een groot issue, me losmaken uit de benauwing van het gereformeerde leven en die malle onlogische dogma’s over het leven. Wat zijn de moderne vormen daarvan?
Het spannende van zo’n levenscrisis is dat in de periode die ermee gemoeid is (al gauw anderhalf jaar, soms langer) al die terreinen aan bod komen, vaak een aantal tegelijk, soms alle tegelijk.

De tweede crisis, de midlifecrisis (van de overgang blijf ik als man maar af), kent een vergelijkbare dijkbreuk waarbij alle domeinen onder water komen te staan. De leeftijdsfase van voor in de twintig tot rond de 45 is een periode die te maken heeft met “het maken”. You are in a way on top of things. Je maakt carrière, je sticht je gezin, misschien koop je een huis, een auto, je maakt die vakantie naar China, Cuba of de Grand Canyon. Je hebt ideeën die ze overnemen op je werk, je hebt de vrienden waarmee je naar het voetballen gaat, je kunt tegen drank en dus ga je als er een feest is nog gewoon uit je dak. Je weet op welke partij je moet stemmen of je bent er zelfs lid van. Je weet hoe het leven gaat en dan ineens… worden je ouders ziek en komen de kinderen in zo’n soort puberteit met spijbelen en blowen en verkeerde vriendjes, krijgt die ene klootzak op je werk de baan die jij wou. En dan blijkt dat je niet on top of things bent. Je dacht dat je het onder controle had, “maar controle blijkt een illusie” . De midlifecrisis is een crisis die te maken heeft met het besef dat je niks onder controle hebt, dat je zelfbeeld, je beeld over thuis en werk en vrienden niet kloppen. Je partij wil dingen die niet deugen. Jouw beeld van je zelf van een mens die zijn eigen ontwikkeling, zijn eigen leven onder controle heeft, de opvoeding van zijn kinderen op een rijtje heeft, klopt niet. Misschien ben je wel net zo’n lul als je vader geworden, die vader die nu trouwens aftakelt, voor je ogen van een eigenwijze lul verandert in een afhankelijke oude man… waarvan je houdt, maar heb je daar wel tijd voor, de vanzelfsprekendheid is weg, en jij als middelpunt van dat heelal dat die vanzelfsprekendheid onder controle had…. Jij moet in iets veranderen dat je nog niet kent en je angst inboezemt. En intussen zie je de minachtende blikken van je kinderen en dat collega’s je voorbij lopen… Je wordt te zwaar. Van twintig meter rennen al buiten adem….

De meeste mensen komen uit die crisis met een besef dat de wereld niet om hen draait, maar hoogstens om wat zij voor anderen kunnen betekenen. “Van ego naar alter” luidt het adagium. De ander is in control over haar eigen leven, niet jij als vader, echtgenoot of baas. Wat kan jij doen om dat leven beter … veel mensen leren dat succesvol en zijn daar midden vijftig op hun best in. En dan nadert het moment dat het leven in het tweede domein naar het einde loopt.
Over de senioritycrisis moet ik eigenlijk niet schrijven want het meeste zal nog wel moeten komen. Ja voor sommigen begint het als ze op hun werk merken dat ze al niet meer serieus worden genomen, als te traag worden gezien, als te behoudend, inflexibel en tegen veranderingen, niet meer mee kunnen in de digitale revolutie. Als ze het gevoel krijgen te worden gedoogd en dat anderen de dingen overnemen die tempo of kracht vragen.
Voor weer anderen begint het als het verval van het lijf hard aan de oppervlakte komt en er blijvende kwalen ontstaan. Of met het empty nest thuis. Als de kinderen uitvliegen naar het buitenland of andere steden en je je kleinkinderen nooit ziet.
Of het komt als je die droom over “reizen met zijn tweeën” niet kunt betalen of aankunt door de gezondheid. Of terugkijkt en je afvraagt waar je het allemaal voor hebt gedaan… als je ziet dat je niet meer begrijpt waar de politieke dynamiek toe leidt of als je je zorgen maakt over de wereld waarin je kleinkinderen moeten opgroeien. Maar ik vermoed…
… dat de grootste klap die mensen naar de senioriteitscrisis leidt het begrip “afhankelijkheid” zal zijn. Dat je niets meer bij te dragen hebt en jezelf niet meer redden kunt. “Overal” hulp voor nodig hebt. Dan stort het zelfbeeld in. Het tweede en vierde domein stroomt leeg, je vrienden overlijden. Werk, het derde domein, heb je niet meer, vrijwilligerswerk is niet meer mogelijk. Wat is dan nog “zin”? En O ja, er is nog een kleinigheid, het einde, de dood. Toen ik twintig was riep ik al: “Ik weet maar een ding zeker, en dat is dat ik dood zal gaan. De dood is de enige zekerheid in het leven”. Makkelijk, als die dood nog statistisch en qua ervaren aanwezigheid ver weg is. Geen realiteit is, behalve voor oude anderen. En dat ben je dan nu zelf. Geeft de dood het leven dan nog steeds zin en zekerheid? Het wordt steeds meer van een “intellectuele paradox” een soort “omvattende en daardoor ongrijpbare paradox”. Dingen zijn slecht te zien als ze te dichtbij komen.

De eerste twee crisissen ken ik uit ervaring. Ik zie het deels ook bij de jongere generatie om me heen. Het begin van de derde ook. Ik ben nog lang niet bij het dieptepunt. Maar ik heb genoeg oudere mensen om me heen om hem te kunnen ruiken. Mensen die hun partner verloren, die hun kinderen nauwelijks nog zien. Te weinig het huis uit komen, vereenzamen. Op de dood wachten. al dan niet verzoend.
Kortom, van de ontdekking van je “identiteit”, via de ontdekking van de illusie van “controle” naar de ontdekking van de “afhankelijkheid” en de onbegrijpelijkheid van het einde. Ik ben nu al bang van die afhankelijkheid. Dat wordt wat…
Klopt dat en is that what life is about?

Godsbeelden en verantwoordelijkheid

Ik krijg de laatste weken voortdurend dingen aangereikt die mij er aan herinneren dat ik als kind gelovig was. Als dat gebeurt en opvalt broeit er dus iets. Is er iets waar ik opnieuw over moet denken en verder mee moet komen. Wat? Weet ik nog niet. Goed en kwaad? Iets met zingeving?

Het begon met mijn referaatje over Randy Newman. Als je wat over Randy Newman wil vertellen kom je niet om zijn “Self-educated” atheïsme heen. Met bijvoorbeeld teksten uit God’s song als “How we laugh up here in heaven about the prayers you offer me” en ”You really need me, that’s why I love mankind”. Ik heb zijn standpunt toen samengevat met ‘Het is nogal aanmatigend om te denken dat wij als mens het magnum opus, het hoogste kunnen, van God zijn’. In zijn opera/musical Faust gaat hij nog stappen verder. Het stuk lijkt als al zijn werk vol met dubbele bodems te zitten. Zelf speelt hij in de opname ervan de duivel. In You can’t keep a good man down maakt hij de duivel erg menselijk: “Treat a man like dirt, pay him no respect for what he is: expect something dirty in return” en hij zweert “I’ll be back on top again, running things”. Hij speelt met goed en kwaad en maakt het kwaad erg menselijk en herkenbaar. Eigenlijk is de atheïst Newman dus meer bezig met het godsbeeld van de gelovige en de beelden over goed en kwaad van de gelovigen dan met God zelf. Concludeerde ik.

Daarna rolde Roger Waters (ex-Pink-Floyd) mijn leven weer eens in met What God wants (God gets). Ook hier. Een meneer die vindt dat hij op aarde is om je aan het denken te zetten over spiritualiteit en ethiek. Een man met een boodschap, maar met een verpakking die voor meer uitleg vatbaar is dan letterlijke teksten. Als “God wants peace, God wants war” een hele rij komt er achteraan, met seks en semtex, met van alles, het goede en het mooie vermengd met wat wij slecht vinden. Of hij meent wat hij zingt of alleen gelovigen een spiegel voorhoudt weet ik niet zeker. Maar de boodschap lijkt toch dat God zowel de harmonie en de orde heeft geschapen als de wanorde (mayhem), zowel de liefdevolle verbinding als de dodelijke wapens. Wat God wil, doet de mens niet teniet, maakt de mens niet ongedaan, of andersom alles wat er is, ook het angstaanjagende, het slechte blijkt niet door ons wezenlijk te veranderen te zijn en dus moet God het gewild hebben. What God got, he must have wanted. Hij zingt het niet, maar ik hoor het.

Ik had op de middelbare school een leraar die ons voorhield dat we in de duivel moesten geloven. Hij had als bioloog niet zo’n hoge pet op van het scheppingsverhaal. De evolutie bewees volgens hem dat de duivel aan het werk was. als het hoogtepunt van de evolutie op aarde een wezen was die de aarde en de natuur, alles wat aan hem vooraf ging, vernietigde. Als er iets van het scheppingsverhaal klopt was God op de zesde dag doodmoe en schiep hij iets mislukts dat hij aan de duivel overdeed en sindsdien “is het de zevende dag waarop hij rust”.

En dan hadden we van de week opeens (excusez moi) dat moordwijf uit Putten, Beatrice de Graaf, onze terrorisme-professor, die in het AD en bij Matthijs meldde dat God het kwaad had overwonnen en dat ze zonder haar geloof uit de bocht der ijdelheid zou zijn gevlogen. “Geloof is de bestaansgrond, het anker dat je datgene laat zeker weten dat niet te weten is. Het is dus een kategorie die buiten de wetenschap staat”, liet ze aan Matthijs weten die vroeg naar bewijs dat het kwaad verslagen was. Het leek er immers niet op. Nee, het lijkt er niet op.

En er was een gesprek ook, over wat er gebeurt in de wetenschap, met robot-techniek, met genetische manipulatie met van alles dat het mogelijk maakt om bij wijze van spreken een nieuw soort hybride en verbeterd mens te scheppen. Met alle ethische vragen van dien. Harari had het over Homo deus, een mens die qua scheppingsmogelijkheden God probeert te evenaren. Ik herinner me een fragment uit een tv-serie van Bas Heijne waarin hij duidelijk maakte dat “wat (wetenschappelijk en technisch) kan ook zal gebeuren”. Er was een mevrouw die vroeg: weet U waarom een hond zijn kloten likt? Omdat het kan!”. Pregnanter kan je bijna niet duidelijk maken dat goed en kwaad niet sturend en leidend zijn als laag over of onder de schepping, maar verbonden zijn aan onze verantwoordelijkheid voor wat we doen en kunnen, op elk moment.

Ik zat aan al die beelden te denken toen ik laatst weer door leeftijd en fysieke tegenslag moest nadenken over hoe ik mij tot het leven verhoud. Al de verhalen die ik hier boven kort weergeef en dus tekort doe, refereren aan een Godsbeeld dat ik maar even karakteriseer als lijkend op een ontwerper van een computergame die zo vriendelijk is geweest een wereld te ontwerpen waarin de doelstelling van het spel, en goed en kwaad logisch gerangschikt zijn. Of zo je wilt onlogisch. Maar gerangschikt en zo beschikt. “Voorbeschikt” zeiden de leermeesters uit mijn jeugd. En een mensbeeld dat daar mee worstelt en door die God moet worden geholpen en vergeven.
Als ik nou toch een referentie uit de muziek mag halen, ik zit dichter bij “All we are is dust in the wind”. Doelloos dwarrelend. We vinden ons doel, onze bestemming, in de manier waarop, en de plaats waar, we dwarrelen, we wandelen en handelen, en met wie we dat doen. We vinden onze ethiek niet in een wereldbeeld waarin goed en kwaad herkenbaar zijn en boven ons uitstijgend door een ontwerpende God zijn geformuleerd, maar in het doorleven van onze verantwoordelijkheid, voor onszelf, ons gedrag (ons dwarrelen, handelen en wandelen), voor de gevolgen van ons handelen en de “anderen” waarmee wat dat samen doen.

En of er wat na de dood is? Of, zoals de Japanse ouwetjes in Tokidoki uitlegden, er een “geest” is, die in steeds dezelfde groepjes terugkeert met zijn verwanten? Of er een ziel is die verantwoording aflegt over zijn leven en al of niet karma krijgt opgelegd? Of dat wat betekent voor mijn leven nu? Dat soort vragen zijn in mijn ogen altijd projecties geweest van een ego dat zich niet kan voorstellen dat het eindig is, dust in the wind.
Met het ouder worden neemt zowel de onzekerheid daarover toe als de overtuiging dat we het niet kunnen weten en de meeste beelden onzin zijn die zo maar waar kunnen worden zonder dat we dat aan onze nazaten nog kunnen uitleggen.
En wat me uit Tokidoki het scherpst bijbleef was de vraag naar de zin van het (nog) leven als je volledig afhankelijk bent geworden van familie en instanties. Niets anders kunt dan eten, ademen, jezelf vies maken en afhankelijk zijn. Niets anders bijdraagt dan er te zijn als object van liefde en zorg van anderen. Die ouwetjes wilden allemaal dood. Dust in the wind, wachtend op een nieuwe stofstorm…. Ik moet me misschien wel voorbereiden op dat soort vragen. Was dat het? Als opa die zich nu zowel verantwoordelijk voelt voor de erfenis van zijn voorvaderen als voor dat gene dat hij nalaat aan zijn kleinkinderen? Moet ik leren dat ook dat onzin is? Dat er alleen maar een nu is waarin het stof nu dwarrelt? Daar ben ik dus nog lang niet….

Murakami: Loslaten in verantwoordelijkheid voor de weg

Murakami behoort tot mijn favoriete schrijvers. Ik heb bijna alles gelezen wat van hem is uitgebracht hier. Ik beveel hem ook vaak aan. Ik vraag me vaak af waarom. Aan de oppervlakte is er iets structureel hetzelfde in vrijwel alles wat hij schrijft:
1. Zijn hoofdpersonen zijn saai, willen saai zijn en kiezen voor een voorspelbaar leven
2. Er gebeuren dingen die “niet kunnen”, er ontstaan parallelle werkelijkheden, er komen personages die bijv. alleen de hoofdpersoon kan zien en horen
3. De saaie persoon gaat met behoud van een stevige portie nuchtere saaiheid een avontuur aan in die parallelle werkelijkheid, soms langs het randje van de dood.
Je zou zeggen, dat heb je na een paar keer toch wel gezien. Maar nee, er is iets onder die oppervlakte wat steeds weer trekt. Ik denk dat het iets is dat te maken heeft met psychologie, ethiek en filosofische thema’s.

Ik schreef nog niet zo lang geleden in een van mijn blogs dat ouder worden betekent dat je jezelf steeds opnieuw moet uitvinden. En hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik vermoed dat er daar iets zit. Maar dan complexer. Niet een oude jas uittrekken en een andere aantrekken, dat zou de wet op behoud van iets veranderde saaiheid zijn. Maar meer iets als ‘ontdekken dat je met behoud van wie je bent een boel ruimte om je heen hebt om te groeien, te veranderen, mee te stromen met het leven’. Ik kom er op terug.

De saaiheid van de hoofdpersonen is zelfgekozen. Soms komen ze het huis niet of nauwelijks uit, zitten ze achter een muur, in een put. Ze trekken zich terug. Het is niet de saaiheid van een boekhouder in een bedrijfje of zo. Meestal zijn ze zelfstandig en vrij. Ze hebben als vrijgezel oppervlakkige relaties (met een oudere getrouwde vrouw bijvoorbeeld, relaties die bewust zonder perspectief zijn op een confronterend “meer”) of een huwelijk waarin de echtelieden elkaar nauwelijks echt raken. De saaiheid heeft te maken met controle en zelfbescherming vaak. Veel hoofdpersonen hebben een trauma uit de jeugd, een overleden zusje, gepest zijn, een dominante vader, of zelfs een Oedipale vloek van de vader. De hoofdpersoon identificeert zich enerzijds sterk met dat trauma en verschuilt zich achter de muurtjes waarachter hij enigszins heeft geleerd met dat trauma te leven. Controle en zelfbescherming. Anderzijds proberen ze juist hierdoor zo weinig mogelijk te voelen van dat trauma. Een aantal keren wordt in zijn boeken het perspectief van een dergelijk leven getekend: een opslagplaats vol flipperkasten die wachten om aangeraakt te worden, een stad aan het einde van de wereld waarvan de inwoners zonder geest zijn en alleen leven om hun dagelijkse behoeften te bevredigen. Waar je je leven laat bepalen door het zelfbeeld , de “identiteit” rond dat trauma, leidt deze vorm van beheersing door gedeeltelijke terugtrekking uit het leven en pijnvermijding tot verstening en vernietiging van identiteit, tot geestloosheid en passiviteit.

Geketend door dat zelfbeeld is een dergelijk vredig en geestloos bestaan soms uiterst aantrekkelijk. Maar meestal gebeurt er dan iets waardoor de hoofdpersoon zich bewust wordt van een zekere ruimte om zich heen. De echtgenote vertrekt, hij wordt verliefd op de oren van een onbekend meisje, hij ontdekt een schilderij met een levend raadsel, hij ontmoet een oude vriend of die raakt juist zoek. Hij krijgt intensieve dromen. Soms ontstaan echte zwangerschappen uit gedroomde seks, soms overlijden mensen door een gedroomde moord. Heel vaak ontstaat bij mij als lezer na verloop van tijd onder de verwondering over het verhaal een langzaam besef dat andere figuren uit het verhaal deels personages zijn die onderdeel zijn van de mogelijkheden, de potentialiteit die de hoofdpersoon zelf in zich heeft. Er ontstaat soms strijd op leven en dood waarbij de keuze om de oude ketenen te breken steeds dichterbij komt en soms iets onvermijdelijks krijgt. Het is een strijd tussen het “kristal” van de gekozen en zelf doordachte oude identiteit en de mogelijkheden om die te transformeren tot iets levends. Allee tot zover de psychologie.

In een aantal boeken komen religies en ideologieën voor. Soms ook een beetje ijl a la de Little people uit 1Q84. Soms concreet als een organisatie die mannen doodt die hun vrouw mishandelen (ook 1Q84) of sektes met leiders met speciale dwingende gaven. Er zijn dan leiders die een alibi zijn voor de ethische passiviteit en de ethische leegte van de hoofdpersoon. Er lijken dan dwingende krachten aan het werk. In Kafka aan het strand, meen ik, leest de hoofdpersoon Hannah Ahrendt en het relaas van Eichmann die zonder veel visie de ideologie van het Nazi-dom overnam en gewoon zijn plicht deed. De grootste schurk bleek iemand te zijn met een talent tot volgeling zijn. Er is een parallel met de psychologische duiding hierboven, alleen dit is minder door trauma’s gestuurd, maar hier draait het om een ander idee. Het heeft volgens mij te maken met een soort levenshouding van Murakami zelf, die wars is van ideologie en religie. Nietzsche beschreef rond het thema “God is dood” het verval van de onbewuste kennis van religie en de symbolen daaruit die het handelen van mensen kunnen sturen. Wie het scheppingsverhaal een dom verhaaltje vindt met de zeven dagen en het paradijs, niet echt gelooft dat Jezus is gezonden om jouw zonden, dat Mohammed echt met Allah heeft gesproken, die moet elders, in zichzelf bijvoorbeeld, op zoek naar zin en ethiek. Liberaal egoïsme ligt op de loer, verblinding door consumptiemogelijkheden, stress door gewenstheid van een succesvol image. Murakami gelooft in die vrijheid van (het bevrijd zijn van bedoel ik) religie en ideologie. Het behoort al tot de reddingsboeien in het verstenende bestaan van pijnloosheid door controle. Maar ook hier vind je in zijn boeken allerlei signalen dat het meedoen aan de stroom van het leven, het betreden van de ruimte om je muurtjes heen, iets vraagt. Er is sprake van (gedeeltelijk) loslaten van dat oude kader maar tegelijkertijd het nemen van een soort verantwoordelijkheid. En niet alleen voor het eigen leven, ook of juist voor het leven van anderen waarmee je je bent gaan durven verbinden. Liefde is vaak een van de motoren voor het avontuur, het (onder-)zoeken van de ruimte om je heen. En bij die liefde hoort trouw tijdens en aan het proces en volhouden. Een verbinding kan alleen ontstaan als het muurtje gedeeltelijk opengaat en je dus iets van je oude veiligheden loslaat. Maar dan ontstaat ook verantwoordelijkheid voor de ander en wat je samen met die meemaakt en opbouwt. Soms lijkt het of de nieuwe bron van ethiek, zin en richting in die verantwoordelijkheid voor het gezamenlijke moet worden gevonden. Maar dat kan nooit “definitief” zijn. Geen kristal, als Islam of socialisme, want het leven zelf vloeit en stroomt. Murakami bouwt nergens een nieuw ethisch gebouw. Wat uit alle transformatieprocessen voortkomt blijft altijd open.

Ik zei al, het gaat niet om een oude jas uit en een nieuwe aan, zo’n transformatieproces. Je moet wel door je trauma heen durven, maar het trauma verdwijnt niet. Je moet wel door je schuldgevoel heen van dat je misschien je zusje had kunnen redden, of van je fouten gemaakt door passiviteit en volgzaamheid. Maar ze blijven onderdeel van het stromende leven. Een boom wordt misschien niet bepaald, maar wel een beetje getekend door de moeilijke jaren en de goede. De daar uit voortvloeiende dunne en dikke jaarringen blijven in zijn stam bestaan. Maar hij groeit alleen door als hij open blijft voor zijn biotoop. Je bent een kind van je tijd, plaats en eigen keuzes. Waar het om gaat is om met die bagage aan angsten, pijntjes, schuldgevoelens trots of wat ook, samen met anderen de ruimte te betreden die het leven elke dag weer biedt. Ruimte om je muurtjes heen, maar ook nog steeds in jezelf voortgaand in de stroom van het leven.

Jezelf steeds opnieuw uitvinden dus. Als ouder wordend mens moet dat ook. Je houdt van wandelen in de bergen, maar je wordt stram, je houdt van muziek, maar lijdt aan gehoorverlies. Er is geen werk dat automatisch je agenda vult en je energie stuurt. Daar kan je je in wijsheid bij neerleggen en een leven zoeken dat verglijdt in een ritme dat de tv nodig heeft om te horen welke dag van de week het is. Je consumeert misschien wat minder…. Je kunt proberen de pijntjes die bij dat verlies horen op te lossen in versteviging van oude rituelen en opvattingen. Maar…
Het leven schotelt je met enige regelmaat een boel ruimte voor die ontstaat door het “niet meer” of “steeds minder” ten opzichte van het oude leven. Je kunt in die ruimte gaan zoeken naar “je ware zelf” of zoiets, of naar “de” zin van het leven. Maar wat als die nou niet bestaan? Als er geen ander ware zelf is dan het zelf dat die ruimte vult samen met de anderen die hij of zij in het hart heeft gesloten? Als “de” zin van het leven bestaat uit het samen met die anderen elke dag weer opnieuw de weg te bewandelen die zich al wandelend ontvouwt? Beetje trager en strammer misschien, met wat meer behoefte aan steun misschien?
Als dat waar is ontdekt de Taoïst in mij de liberale Taoïst in Murakami. Want ook dat is een vloeiend etiket…