Categorie archief: dialoog

Gedecentraliseerde zorgtaken en een onvolwassen overheid

Het begin
Ik herinner het me nog als de dag van gisteren, het moment waarop zowel een lid van de regering als een hoge ambtenaar tegen me zei: “Misschien gaan we inderdaad iets te snel, maar Hero, een ding is zeker, we hebben geleerd dat wij, op Rijksniveau, het niet kunnen”. Ik maakte me grote zorgen over het deskundigheidsniveau en de veerkracht van de Nederlandse gemeenten als ze in korte tijd zoveel verantwoordelijkheden erbij kregen. Bovendien vond ik de uitspraak dat “de” gemeente dicht bij “de” burger staat, zijn pappenheimers kent en dus snel ook hetzelfde zou kunnen bereiken met veel minder geld, meer van het fabeltjeskrant-niveau.

Misschien waren de intenties wel goed. Het rijk kan niet in interactie raken met specifieke belangrijke partijen direct om de hulp vragende burger heen. Dat is te veel gevraagd. De gemeente zou het (moeten) kunnen. De intenties lagen ook bij beter dan alleen gevend en straffend met de burger om te gaan, maar er mee in verbinding te raken Tegelijkertijd werd de Bijstandwet omgedoopt tot Participatiewet. “Meedoen” is beter dan ontvangen. Of het altijd waar is weet ik niet zeker, maar het klinkt goed. Misschien werden die intenties alleen per ongeluk en OO wat een pech alleen maar even doorkruist door geldnood en dus meer haast dan iedereen lief was. We hebben inmiddels wat ervaring. Niet allemaal even positief. Met name rond de jeugdzorg piept en kreunt het. Ik zoek naar een referentiekader, een perspectief. Ik heb het wel eens de ladder van complexiteit genoemd. Als overheid, als bedrijf, als instelling draai je pas goed en volwassen als je de complexiteit waarin je werkt doorziet, aankunt en kan hanteren. De ladder kent zes sporten. Ik vrees dat we rond de zorg en participatie in het samenspel tussen de overheden en samenleving nog ergens onderaan zwerven. Maximaal op niveau 2. De visie op de wet suggereert bijna niveau 6. De praktijk lijkt er niet op. We kunnen het nog niet. De resultaten zijn af en toe schrijnend:

Laten we de ladder eens verkennen. Hij ziet er samengevat als volgt uit:
1. De onderste trede: reageren op incidenten
2. de tweede stap: patronen herkennen in de incidenten en proberen die te beïnvloeden
3. Bouwen van nieuwe structuren om greep te krijgen op wat er gebeurt
4. Erkennen van andere visies op het probleem en daar ruimte voor maken
5. Schetsen van een gewenste toekomst die andere partijen inspireert tot meedoen
6. Erkenning van wederzijdse afhankelijkheden en samen werken aan een betere toekomst

1. Reageren op gebeurtenissen en situaties (reactief)
Het simpelste niveau is dat van de brandenblussers: het brandt en dus…. het kwaad wordt bestreden waar het opduikt. In de participatiewet zijn dat drie kwaden. De eerste is, er is geen inkomen. Het vangnet treedt in werking. De oude bijstand. Het tweede kwaad is dat er problemen zijn om zelf inkomen te verwerven. Daar heeft de overheid zelf weinig middelen. Men besteedt uit, men besteedt aan. Maar vanuit welke visie? Het derde kwaad is misbruik van het vangnet. Daar kunnen overheden wat mee. Er is een uitgebreid stelsel van sancties dat zo ver gaat dat jaren “ten onrechte genoten bijstand” met boetes kunnen worden teruggevorderd. Het leidt tot en doet beroep op simpel gezag door zichtbaar handelen. Omdat de overheid en ook gemeenten al jaren goed zijn in bijstand verstrekken en sancties opleggen (de bijstand-brandweer) ligt daar het accent merk ik.

2. Onderkennen en beïnvloeden van patronen in de gebeurtenissen (adaptief)
Het is de wereld van normstelling, regelgeving en handhaving en informatieverzameling over waar de kans op misbruik, armoede en niet-participeren het grootst is. Legitimiteit (gezag) van overheidsoptreden ontstaat op basis van de helderheid en haalbaarheid van regels en normen en de mate waarin deze zonder aanzien des persoons worden gehandhaafd. Alleen hier zit al de eerste adder onder het gras. Decentralisatie veronderstelde maatwerk omdat we de pappenheimer kennen. Als iemand een “tegenprestatie” voor de uitkering weigert omdat die niets toevoegt aan zijn weg terug naar de arbeidsmarkt, of hem als vluchteling niets leert, moet hij dan worden gestraft? Volgens het huidige gebruik van de regels veelal wel, ondanks dat de overheid zelf niet handig bezig lijkt te zijn..

3. Onderkennen van de structuren die tot patronen leiden en bouwen van nieuwe (ontwerpend).
De vraag is natuurlijk of we voldoende greep hebben op de structuren en processen die ertoe leiden dat mensen een afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Hebben mensen zich van de arbeidsmarkt verwijderd? Of heeft de arbeidsmarkt zich juist verwijderd van de wat zwakkere zusters en broeders? Is dat een autonoom proces of heeft dat proces ook namen en gezichten die kunnen worden aangesproken? Is de arbeidsmarkt zo veranderd dat mensen er niet meer bij kunnen komen? Gaat het om opleiding? Taal? Gaat het om de context die kan worden geboden aan mensen die zichzelf niet goed redden kunnen omdat ze een structureel medisch probleem hebben? Kan een generieke benadering wel helpen? Heeft het zin om “iedereen” naar een vrijwilligersbeurs te sturen? Ik zie hier gemeenten die geen of onvoldoende tijd en middelen hebben om zich zo intensief met “hun” participanten te bemoeien dat het beoogde maatwerk kan ontstaan. Vrijwilligerswerk en tegenprestaties, taalcursussen. Prima middelen, maar is dat dan het nieuwe antwoord? Het participeren of juist niet wordt (nog) steeds als probleem van de overheid en de individuele uitkeringsgerechtigde gezien en niet van het lokale bedrijfsleven oid (en dat wordt misschien zelfs wel versterkt door het regelgevend en handhavend optreden van die overheid). Het is dan zaak om iets te ontwerpen dat anderen medeverantwoordelijk maakt voor wat er gebeurt. De overheid zou convenanten kunnen sluiten met andere overheden, het bedrijfsleven, de maatschappelijke instellingen in de gemeente, etc. Er zouden dan overlegstructuren kunnen ontstaan, waarin beleid (en het draagvlak ervoor) wordt getoetst (poldermodel).Ik zie ze nog niet of te weinig. De overheid gaat zichzelf dan anders zien en problemen ook anders definiëren. Gezag ontstaat mede door de mate waarin de overheid in deze structuren zowel voortgang bereikt als het zelfregulerend vermogen in die structuren weet te bevorderen en ruimte geeft. Als dat leidt tot een al te grote soepelheid in normstelling en handhaving (Fraude rond pgb’s bijvoorbeeld) komen de eerste twee gedaanten weer wat sterker terug, maar altijd anders dan voorheen. De politiek gekozen visie op bijstand en arbeidsmarkt en de wijze van omgaan met de problematiek daarin blijft (nog) leidend. Ik vrees dat we hier nog niet in voldoende mate zijn beland. De volgende stadia krijgen dan meer het karakter van theorie in een weerbarstige praktijk

4. Diversiteit in visies op probleem en aanpak naast elkaar (Reflectief)
Diversiteit in visies op het probleem en aanpak heeft altijd bestaan, (maar komt nu jammer genoeg nog nauwelijks tot uiting in het beleid). De in mijn ogen uiterst betreurenswaardige pogingen van Klaas Dijkhoff om meer druk te zetten op participatie door pittige structurele sancties te zetten op het onvermogen tot participatie (hij noemt het belonen van meedoen, maar er gaat een drastische structurele vermindering van het basis-bijstand-niveau aan vooraf) is gebaseerd op de gedachte dat sancties en “knijpen” werken om mensen in beweging te krijgen. Onderzoek in Engeland heeft aangetoond dat het tegendeel het geval is. Dat is één benadering. Daarin is “de hardwerkende Nederlander” de norm en politiek richtsnoer. Dat je daarmee mensen die onder de wet vallen wegzet als minderwaardige lieden waar we minder voor over hebben dan voorheen (en dat ze dat een flinke knauw in hun zelfvertrouwen en in maatschappelijke instituties bezorgt) nemen we dan op de koop toe. De oorspronkelijke intenties van de wet hadden meer oog voor wat iemand aan begeleiding nodig heeft om te kunnen participeren en gingen uit van juist bevordering van dat zelfvertrouwen en vertrouwen in de omgeving. In de derde plaats is het zo dat “de wereld” waarin de mensen die onder de participatiewet vallen, niet in de eerste plaats de wereld is van de bijstand-verstrekkende en sanctionerende overheid. Als deze mensen (als vrijwilliger) participeren doen ze dat vaak bij sportverenigingen, scholen, culturele instellingen en dergelijke. Daar worden deze mensen “als mens” gezien en ingezet. Daar mogen ze fouten maken zonder direct sancties te krijgen, daar wordt “geleerd”. Daar heerst kortom een totaal andere visie op wat er nodig is om lid te zijn van de samenleving en hoe je dat doet. Overheden hebben daar nauwelijks kontakt mee. De structuren die hiervoor onder 3. werden genoemd ontbreken grotendeels. Dat betekent dat die andere visies niet of nauwelijks een plaats krijgen in de beleidsontwikkeling. Een enorme gemiste kans.

5. Agenderen en definiëren van de gewenste toekomst (verbeeldend)
Dit is de gedaante van het Rijksbeleid op het gebied van de Ruimtelijke ordening bijvoorbeeld, maar op het gebied de gedecentraliseerd zorg zijn we zover nog niet, in tegendeel. De neergelegde visie dat gemeenten hun mensen beter kennen, dichter bij ze staan en dus beter zijn, leidt in de praktijk tot afstand nemen van de dagelijkse ontwikkeling van het beleid en uitvoering. Het bleek geen inspirerende visie, maar een redenering om de verantwoordelijkheid bij anderen te leggen. In de ruimtelijke ordening schept de regering een beeld van de gewenste toekomstige ruimtelijke structuur in de wetenschap dat diezelfde rijksoverheid slechts op een enkel zij het gezichtsbepalend onderdeel ervan direct opereert. Het zijn investeerders en lokale overheden die dat beeld invullen en mogelijk maken. De tijd dat de Rijksoverheid voornamelijk zelf en alleen handelt bij de Deltawerken, het ontstaan van Flevoland, de aanleg van de rijkswegen, etc. is voorbij. Maar wat gebeurt er nu in deze hoek van beleid en wereld? Waar is de erkenning van het belang van andere partijen, in die zin dat je niet verantwoordelijkheid afschuift, maar in je visie-ontwikkeling de samenwerking zoekt en faciliteert? Op Rijksniveau zie ik er weinig van. Op gemeentelijk niveau merken we al helemaal weinig van visie en belangstelling voor wat andere partijen dan de voormalige sociale dienst ervan vinden. Er ontstaat geen visie op het opener maken van de arbeidsmarkt. Ik merk nauwelijks visie op de mate waarin de overheid zelf bijdraagt aan het ontstaan van schulden (ze is er de grootste bron van en zeker als er inkomenssancties worden getroffen ontstaat vaak een kettingreactie). Ik merk niets van belangstelling voor de manier waarop mensen die weten dat ze “onderaan bungelen en niet zo’n sterk zelfbeeld hebben” kunnen worden geholpen om zich waardevol en van betekenis te voelen. Inkomenssancties zijn op dit punt bewezen contra-productief. Ik moet constateren dat we niet in staat zijn op dit vlak een “gewenste toekomst” te definiëren en inspirerend te maken.

6. Het scheppen van een klimaat voor “Co-creatie”(verbindend)
In de eerste fasen ziet de overheid zichzelf als “Bestuur” en de samenleving als “Bestuurde omgeving”, als lijdend voorwerp dus. In de laatste fasen ziet de overheid zichzelf als onderdeel van, maar ook als medeschepper van een maatschappelijke, natuurlijke en economische biotoop, waarin een ieder van nature zijn eigen rol heeft en van elkaar afhankelijk is. De overheid schept niet alleen condities voor het scheppende sterke of beschermt niet alleen het zwakke (als het milieu, de vluchteling, de laaggeletterde, de autist….), maar wil één van de verbindende krachten zijn in de biotoop waarin iedereen zijn eigen plek heeft. De overheid wordt naast incidentbestrijder, handhaver, structurenbouwer en agenderende partij ook waar nodig de moderator en verbinder in de maatschappelijke dialoog. Deze rol van schepper van het klimaat voor co-creatie zet alle voorgaande gedaanten, voorzover ze in tact blijven, in een ander licht. Hier zijn we nog lang niet….

En waar staan we dan nu?
We moeten aan één voorbeeld niet teveel gewicht hangen, maar wat ervaringen:
Ik zit in het bestuur van een culturele instelling waar 65 vrijwilligers werken waarvan 40 met een uitkering, een traject. Toen we onze beroepskrachten moesten ontslaan meldde ik dat dan ook bezorgd aan de gemeente: waarschijnlijk zou ons vermogen om complexe medische situaties aan te kunnen bijvoorbeeld afnemen en zouden vrijwilligers zonder begeleiding komen te zitten. De reactie was weinig meer dan nul. Kennelijk ontbrak zowel bij het bestuur als bij de ambtelijke medewerkers het benul dat hier iets ingrijpends speelde. Een bezorgd signaal uit een relevante omgeving werd niet opgepakt en naar waarde geschat. De overheid was bezig met uitkeringen, sancties en de eigen tekorten. We werden verwezen naar een instelling die we in de begeleiding nog nooit hadden ontmoet en ook nog steeds geen rol speelt in de begeleiding. De gemeentelijke verantwoordelijkheid werd niet gezien of opgepakt. Dit is gedrag van gestalt 1 en 2.
Een paar maanden later kreeg een van onze vrijwilligers een aanzegging tot mogelijke sanctie omdat hij bij ons werkte en niet naar een vrijwilligersbeurs was gegaan. Ik heb me ermee bemoeid, met als gevolg dat ik werd “gehoord” en af en toe bijna op het randje werd “verhoord”. Mijn verzoek om geen sanctie op te leggen (vanwege o.a. het negatieve effect op die andere 40 vrijwilligers met een uitkering en op hun vertrouwen in een absurd sanctionerende overheid)) werd uiteindelijk vertaald in een iets mildere dan mogelijk, maar toch, een inkomenssanctie. Is hier sprake van een overheid die inziet dat ze in een complex veld opereert en samen met anderen die hun verantwoordelijkheid nemen een klimaat moet scheppen voor participatie? Nee. Uiteindelijk ging de inkomenssanctie na formeel bezwaar van tafel, maar we hebben als bestuur nooit het idee gekregen dat de gemeente de instellingen die feitelijk het deel van het takenpakket “participatiebevordering” uitvoeren als gesprekspartner is gaan zien. Het is een veld dat bovendien niet die taak heeft. Men is er voor de sport, de muziek, de leerlingen en men doet dit er “gratis” en met liefde bij. Ziet de gemeente dat? Erkent men dat? Geeft men dat een plaats in beleid? Of is de gemeente nog zo geoccupeerd door die oude taken, die oude rollen of gestalten uit de eerste twee fasen dat dit alles buiten het referentiekader valt? Ik vermoed dat dit laatste het geval is. Maar dan is de doelstelling om dit soort beleid op een meer volwassen niveau en meer volwassen visie en rolbesef uit te voeren vooralsnog nog lang niet gelukt. Ik wens alle partijen toe dat het kabinet wegen vindt om gemeenten te ondersteunen als ze de ladder verder willen opklimmen en meer volwassen en relevant voor hun omgeving als partner gaan opereren. Ik hou nu vooralsnog mijn hart vast gezien de respons die ik heb zien ontstaan.

Toch leuke opgave voor Rutte 3

Mentale modellen en dialoog

Mentale modellen

Heb je je ooit wel eens afgevraagd waarom het woord “gedachte” is afgeleid van de voltooid verleden tijd “gedacht” en niet iets actiefs bevat als denksel of denking ? Waarschijnlijk hebben we al vroeg ontdekt dat denken meestal neerkomt op het herhalen wat we al eerder hebben bedacht en met enig succes is toegepast. Als we denken gebeurt er vrijwel nooit iets origineels. Het is als zoeken op Google in ons geheugen. Als we “aan het denken” worden gezet gebeurt dat meestal op een externe impuls, die ons dwingt om niet de zoekmachine maar de denkmachine te gebruiken. Dat kan een goed gesprek zijn met een ander, een goed boek, I Tjing of wat dan ook, dat ons denken dwingt om buiten de gebaande paden te gaan. Wie in zijn zoekmachine blijft hangen maakt geen persoonlijke groei (meer) door en is een bron van konflikt in zijn organisatie.

Een dialoog kan alleen tot iets nieuws en iets succesvols  leiden als we buiten die gebaande paden komen en meer willen dan alleen resultaten  van de zoekmachine. Het is dan ook goed om die gebaande paden te kennen en om ze uit te dagen door de gebaande paden van anderen serieus als uitnodiging te zien om onze denkmachine te verrijken. De gebaande paden van ons denken hebben veel te maken met “mentale modellen”: door leren en ervaring opgebouwde en geverifieerde opvattingen over onszelf, de anderen en over “wat en hoe te doen”.  Bij de meeste mensen zijn die mentale modellen consistente gehelen die ook de manier bepalen waarop ze naar de werkelijkheid kijken. Wat ervan afwijkt in de realiteit wordt als uitzondering beschouwd of zelfs over het hoofd gezien.  Lees verder

Strategie en leiderschap

Strategisch leiderschap in lokaal bestuur

Verkenning van het begrip strategie

Pratend met gemeentebestuurders en ambtenaren kom ik veel soorten inhoud tegen van het begrip strategie. Heel vaak gaat het om een combinatie van (1) een toekomstbeeld waarin een aantal problemen zijn opgelost, (2) een pakket aan maatregelen of acties om dat beeld te bereiken, (3) een structuur om die acties in te bedden en aan te sturen en (4) een aantal voornemens of commitments om de middelen vrij te maken om te kunnen doen wat men wil. Men zou dat de rationele/analytische kant van strategie kunnen noemen. Doorpratend over het thema komt bij nogal wat gesprekspartners een heel andere dimensie van het denken over strategie op tafel. Strategieën moeten dan inspireren en binden, duidelijkheid brengen naar de omgeving, zekerheid bieden intern, een eind maken aan vruchteloze discussies, een focus bieden voor de energie van bestuurders en medewerkers, richting geven aan de ontwikkeling van de organisatie enzovoort. Strategie heeft dus ook een emotionele/bindende/synergetische kant. Mijn ervaring is dat rationele strategie-benaderingen die tweede dimensie niet zonder meer tot leven brengen. Rationele plannen zijn richtsnoeren waar je gemotiveerd van afwijkt.  Lees verder