Categorie archief: Autobio

Wie is het die mij verzint?

“Haar geheugen is overwolkt door duisternis en onwaarheid, en beweegt zich louter via verzinsels naar samenhang”.
Mooie zin. Hij komt uit “Het enige verhaal” van Julian Barnes. Ik kreeg het van goede vriend Ronald alsof hij wist dat ik van Barnes hield maar dit nog niet gelezen had. Nee, wist ie niet. Het boek beschrijft, vanuit de jonge man, het verhaal van een relatie tussen een 19 jarige jongen en een 48 jarige vrouw, die jaren duurt en waarin de vrouw langzaam (onontkoombaar?) aan alcohol ten onder gaat.
Maar de vraag is, is de enige onontkoombare waarheid in die zin (…beweegt zich louter via verzinsels naar samenhang) niet wat universeler dan alleen voor Korsakow-patiënten?

In “uit het leven van een hond” tekent Kollaard een Henk, IC-verpleger, die in discussie is over, zich afvraagt of, we meer zijn dan “spul”, spieren botten, zintuigen, organen en zenuwen. Is het hart alleen een pompende spier of het huis van emoties en verbinding? Wat houdt een mens bij elkaar? Ja de huid. Maar als je sterft lukt dat de huid ook niet meer. Wat ons bij elkaar houdt is “Leven”.
Maar wat is dan “leven”?
Volgens biologen, inmiddels, als ik het nog goed heb tenminste, leeft iets wanneer:
+ er een voortdurende uitwisseling is tussen het “lichaam” en de omgeving van materie en energie. En het “lichaam” zich op deze wijze in stand houdt. Dat is bij de aarde ook het geval, maar leeft Gaya dan?
+ er een potentie en een periodieke wil is tot vermenigvuldiging, voortplanting. Dat is bij de aarde dan weer wat complexer
+ er reflexen zijn die te maken hebben met “overleven” of verzet tegen het einde van dat “leven”.
We glijden bij deze criteria geleidelijk van “pomp” naar het hart als bergplaats voor de ongrijpbare wil tot leven…. naar???

Maar de mens is niet alleen fysiek een zak (huid) spul (spieren, botten, etc.). Ook psychisch zijn we een mooie verzameling van reacties en denkbeelden. We spelen dagelijks meerdere rollen en gedragen ons daarin meestal niet erg consequent. Een scheidsrechter is op het veld strakker met regels dan thuis bijvoorbeeld. Maar je gedraagt je ook erg verschillend tegenover verschillende mensen. Toen mijn schoonvader overleed heb ik met verwondering gekeken hoe mijn schoonmoeder achtereenvolgens reageerde op de dominee, de begrafenisondernemer, de collega’s van mijn schoonvader, haar kinderen, de dokter…. het was een kaleidoscoop aan gedrag van sturend tot passief, van sterk tot zwak.
Ik weet dat de Bommelkreet “Altijd dezelfde” voor mij niet opgaat. Ik ben een ander mens dan toen ik puberde, dan toen ik aan mijn carrière begon, dan voor de prostaatkanker. Wat is het, niet de huid, niet het “technisch definieerbare leven” dat die zak aan emoties, denkbeelden, geheugenflarden, visies op schoonheid en waarde, bij elkaar houdt?
Toch verhalen, verzinsels? Toch dat stukje hersens waarin je een zelfbeeld opbouwt en een daarmee samenhangend beeld van je omgeving? Toch dat geheugen dat veelal bestaat uit al dan niet juiste bevestigingen van dat beeld?

Ik denk wel eens dat ik niet besta. Dat er iets is, een soort “ijl mezelf” dat mij verzonnen heeft, mijn leven, mijn vrouw, vrienden, kleinkinderen en grootouders, kinderen en ouders. Dat de aarde verzonnen heeft, de mensheid, de natuur, het universum, wiskunde, Einstein, politiek en televisie. Er is iets, iets dat ik bij gebrek aan beter maar ergens in mijn lichaam plaats, dat pendelt tussen hersentje en hartje, dat me probeert wijs te maken dat “ik” belangrijk ben en mijn liefde voor mensen en natuur. Ik kan er eigenlijk niks tegen inbrengen, behalve dat het net zo lullig voelt, maar dan aan de andere kant van het continuüm, als het hart puur als pomp. Knijpen helpt niet. Die pijn kan ik ook in mijn ijle staat verzonnen hebben.

Als ik terugkijk op mijn leventje, gravend in geheugen en foto’s als anachronistisch geheugensteuntje (een papiertje in het hier en nu dat moet helpen om oude werkelijkheden terug te halen? Vergeet het), wat is dan (nog) “waar”?

Wat zijn we meer dan…. hebben we meer dan…. ons verhaal?

“…. en beweegt zich louter via verzinsels naar samenhang”. Wie is het die mij verzint?

Vaders en oorlog

Ze kan zo vernietigend veroordelend kijken. “Tijdens de mobilisatie moest hij zich zonodig melden. Nooit in dienst gezeten. Broederdienst. Ze moesten hem niet. Hij zou alleen maar in de weg lopen. Blij toe was ik.”
“Waarom wou hij dan vechten?”
“Oh, logisch toch, als de Duitsers je land binnenvallen…..”
“En later?”
“O ja, die radio. We luisterden naar Engeland. Daar zat de koningin. Dat was verboden. We wilden de radio verstoppen bij de boer in Schipluiden, maar daar bij de buren van de boer deden de Moffen een inval. Toen nam hij die radio mee naar zijn werk en werd hij aangehouden. Had ie ook nog een papiertje bij zich dat niet mocht. En belandde hij in Kamp Amersfoort”
“Maar hij kwam toch terug? Hoe kan dat dan?”
“Opa. Via de Duitse directie van Wilton. Hij kreeg hem vrij”
“Wat stond daar dan tegenover? Wat moest opa doen, laten, vertellen?
“Weet ik niet, moet je opa vragen”

Het blijft stil. Opa schudt alleen maar nee. Opa wil niet praten over hoe hij het vijf jaar heeft gebolwerkt met een Duitse directie. Hij zegt alleen dat hij nooit heeft gecollaboreerd. Dat hij het deed voor zijn mensen. Dat hij een lintje heeft gekregen voor zijn inzet, later na de oorlog. Wat er is gebeurd is taboe. Ja hij heeft de dokken die de Duitsers naar Hamburg wilden verslepen gesaboteerd. Daar was dat lintje voor. Maar hoe dat dagelijks ging… welke compromissen, en hoe dat ging met mijn vader. Nee. Alleen dat hij het heeft gevraagd, of ze die Zuidema weer terug wilden sturen. Hij was vader geworden inmiddels.

Hij gooit ‘die Untergang des Abendlandes’ voor me op tafel. “Dat is een van de dingen waarmee de ellende begon”
“Hoezo?”
“Er zit op zich wel wat in. Dat elke beschaving ten onder gaat, uiteindelijk. Maar in de handen van idioten worden dit soort gedachten bommen en gaskamers”
“Gaat dit over de oorlog?”
“Nee. Dit is van ervoor. Dat de beschaving ten onder gaat aan groei, openheid. Cultuurvermenging. Dat elites alleen maar aan zichzelf denken en misschien ook wel die hoop op internationale solidariteit van links…. het gaat om het eigen volk. Om wortels waar we vandaan groeien. Over dat soort dingen gaat dat boek. Hitler moet gesmuld hebben”.
“Waarom wou je eigenlijk in dienst in 1940?”
“Gewoon. Die idioten wilden ons aanvallen. Als we iets niet moesten willen was het dat nazivolk. Dat er al zoveel van die idioten ook in Nederland… maar ja. Ik kon niks.”
“Volgens ma wou je alleen maar…”
”Je moeder heeft nooit begrepen waar de oorlog om ging. Die wist alleen maar iets over Oostenrijk en Polen en ons, en over agressie. Over andere landen binnenvallen. Niets over ideologie,over fascisme. Ik weet eigenlijk niet eens of ze niet net zo’n hekel had aan Joden”
“En Amersfoort?”
Ook hij blijft stil. Hij schudt zijn hoofd. Draait zich om en kijkt naar buiten. Nog steeds niets. Hij loopt naar het raam.
“Opa heeft je vrij gekregen he?”
“De ploeg waarin ik zat was aan het eind van de oorlog allemaal dood. Eerst naar Vught, toen naar Duitsland om te werken. Niemand.”
“Maar Amersfoort?”
Weer geen geluid. Hij staat nog steeds bij het raam.
“Wat heeft opa nou moeten doen of beloven, als tegenprestatie?”
“Weet ik niet” zegt hij na een tijdje. “Hij heeft dat ook nooit aan mij willen vertellen.”

Soms zou ik hem willen vragen wat hij denkt als hij Baudet hoort praten over boreale cultuur, homeopathische verdunning en een blank noordelijk Europa. Hij is al 25 jaar dood en zwijgt nog steeds. En dat boek van Spengler? Stukken uit gelezen die ik me niet meer herinner. Ik was te jong.

Maar ik ben sindsdien altijd heel erg op mijn hoede voor romantisch conservatieven.

Heimwee naar iets dat nooit heeft bestaan kan dodelijk zijn.

Vreze des heeren

Parole, parole, parole…

“Waar moet ik dan precies bang voor zijn opa?”. De dominee had het steeds gehad over ” de vrees voor de toorn Gods”. Ik wist wat toorn was: een toren, zoals de kerk had. Ik wist niet wat vrees was. Opa was niet mee geweest naar de kerk. “vrees is angst, jongen, bang zijn” had hij uitgelegd. Maar waarom zou ik bang zijn voor God? “Het zijn maar woorden jongen. Bang zijn heeft niet zoveel zin”.

Het kwam steeds vaker terug. In preken, gebeden, psalmen, de bijbellezing van mijn vader voor het eten… Vreze. Iemand die in God gelooft heeft kennelijk redenen te over om bang te zijn.

It’s only words….

Ik ben nog eens gaan zoeken naar frasen en beweringen over ‘Vrees’. Je struikelt erover, de hele bijbel door. Pamfletten van kerken en dominees te over. Ik heb er hier een paar:

“…wat eist de Heere uw God van u dan de Heere uw God te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen en Hem lief te hebben en de Heere uw God te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”
Op de vraag Wie we moeten vrezen geeft de Schrift zelf antwoord. Het is de Heere die Zijn heerschappij over alles doet gaan….
Een dominee: “Het zijn ook Zijn ogen die op alle mensen gericht zijn. Niemand kan iets voor Hem verbergen, zelfs in het diepst van ons onderbewuste dringen Zijn ogen door, Alles ligt voor Hem open als een opengeslagen boek.
De naam HEERE duidt ook aan dat Hij Zich doet kennen als de God des verbonds, Die Zijn rechtvaardigheid èn liefde openbaart in de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker van Zijn Gemeente. Die God moeten we vrezen. Dat is de boodschap van het Oude-en Nieuwe Testament.” en
“Hij is die God Die vreselijk is, de Heilige, in Wiens handen het vreselijk is te vallen”.
“Maar ook die God., Die in Christus verlost en zalig maakt. Die ook enkel liefde is en daarom Zijn eniggeboren Zoon zond in de wereld, opdat ieder die in Hem gelooft behouden zou worden. Wie zó Zijn liefde kent, als een heilige, rechtvaardige liefde, vreest de Heere”.
“Deze vreze des Heeren is het beginsel der wetenschap”.
Er wordt wat gesidderd in de bijbel, gebogen….

Kennelijk is God tegelijk liefde en de grote angstaanjagendheid zelve…. Vergeeft hij en is zijn wraak vreselijk tegelijkertijd.

Het heeft even geduurd voor ik de ‘toorn’ begreep, de wraak, de straf.
En veel talent voor angst had ik niet, als jochie. Ik begreep dat ik torens moest mijden, maar dat misverstand vervloog ook in onbevreesde wetenschap. Waar dat toe leidde was een soort twijfel, deugde ik wel? Zou ik niet verdoemd worden omdat ik niet bang kon zijn?  Was dat ‘vreze’? Vast niet het soort waar de Bijbel mee vol stond. Ik begon bang te worden dat ik verstoten zou worden omdat ik iets dat kennelijk zo belangrijk was voor gelovigen niet alleen niet kon begrijpen, maar ook onzin vond voor zover ik het wel begreep. Ik geloof niet dat ik er erg onder gebukt ging. Zo ergens rond de overgang naar de HBS heb ik het los gelaten 11 was ik, of net 12 misschien. Wat overbleef was grote verwondering waarom al die volwassen mensen zich braaf zondag na zondag lieten bang maken en volgieten met de vreze voor de HEERE.

Als ik nou een ding niet wou, was het dus geloven in een God waarvoor ik bang moest zijn. Vreze…. “De meeste mensen zijn braaf en gehoorzaam uit angst jongen…”. Opa weer. Ik wist het al. “En mensen die bang zijn doen domme dingen. Oorlog bijvoorbeeld. Onschuldige mensen vergassen….”.

Waarom denk ik hier nu weer aan?
De moeder van Maarten t Hart? vast…
De strijd tussen de synodalen, de bonders, de gewone hervormden en de evangelisten op de Zuidhollandse eilanden van Jan Brokken’s jeugd? Vast. Die boeken las ik pas.
is het de semi-fascistische onzin die ik Baudet en zijn volgelingen hoor uitslaan, Wilders, met zijn angst voor moslims? Vast. Angst en woede heersen in een deel van de wereld immers

Ik had die nuchtere opa. Die trouwens ook van die eilanden kwam. Sinds mijn elfde was ik door hem niet meer zo bevattelijk, geloofde ik dominees niet meer, vond ik de bijbel een boek vol tegenspraak….

Sindsdien geloofde ik in onbegrijpelijkheid en verwondering. In wat ik niet kon weten en begrijpen. Ik heb de angst wel leren kennen. Angst voor mensen en hun domheid, ja….. Vreeze voor een heere, nee.