Fragile

Al die ‘lives that matter’….

“Nee, echt? Was u de chauffeur? Vanmorgen hadden we hier nog een discussie”. Hij wees naar het wrak van mijn auto. “Gijs zei, ik zie geen bloedsporen, het zal wel meevallen. Ik: maar hij is precies op de bestuurdersplaats geraakt en het chassis staat helemaal krom. Dood of zwaar gewond…. “ Hij schudde zijn hoofd “en nou sta je naast me… een dag later… je moet een engeltje hebben man“. 25 jaar geleden.
“Eigenlijk moeten alle bromfietsers een helm, vind ik. Jongen wat had jij een mazzel. Een schedelbasisfractuur…. Als er een stoeprand was geweest was jij er niet meer”. De agent die me opzocht in het ziekenhuis na mijn brommerongeluk om de afloop te vertellen. Ik wist niet eens wat er was gebeurd, laat staan dat ik besefte dat mijn leven in gevaar was geweest. Geheugenverlies. Alles wat ik ervan weet en besef is uit de tweede hand. 57 jaar geleden.

Hoezo matteren lives? Levens, zwarte, blanke, oudere jongere, de levens van moslims of Christenhonden… Ja ok, als een overheid nonchalant omspringt met je leven is het terecht dat je luid protesteert. Maar een stap verder terug… ik ben zeker vijf keer aan een vrij wisse dood ontsnapt. Is het geluk, mazzel, dat ik er nog ben of is er een hogere macht die uitmaakt dat het je tijd nog niet is. Vlak na zo’n narrow escape had ik telkens de neiging om te denken aan engeltjes en karmakansen… niet aan mazzel.

Er staan er nog een paar heel helder op mijn netvlies. Veel helderder dan die momenten dat ik er met een schedelbasisfractuur of met vier gekneusde ribben ‘Nog genadig vanaf kwam’. Momenten dat ik er zonder fysiek schrammetje uit te voorschijn kwam. Twee keer in de mist in zo’n giga-kettingbotsing. Twee keer zonder krasje op de auto. Twee keer handen op de oren en ogen dicht. Twee keer dat de knallen van de achter op de file klappende auto’s … dreunen en brekend glas… twee keer gegil van beknelde gewonde mensen. Twee keer doodsangst en verlamming. twee keer besef dat je niets kan doen. Niet uit je auto moet komen omdat het erbuiten gevaarlijker is , maar die andere mensen dan? Twee keer onmacht, nietigheid. Twee keer “waarom ik niet en zij wel”.

Bijna thuis. Vierbaansweg. Je bent bezig om twee vrachtwagens van de Grolsch in te halen. De weg gaat omhoog, een viaduct. Bijna boven. Het is geel. Een busje met aanhanger. Komt je tegemoet op jouw linkerbaan. Denkend dattie rechts rijdt… Spookrijder. Je denkt nog.. als ik door een vrachtwagen word geraakt heb ik meer kans dan met hem. Later, met meer tijd voor verstand… ja het verschil met hem is 200 km/u, met die vrachtwagens 20…. goeie intuïtie jongen… Je gooit je stuur om. Die twee chauffeurs zagen hem eerder dan jij en hadden al ruimte gemaakt voor je dat zag.
Van de spookrijder nooit meer een spoor. We stoppen met zijn drieën, de twee vrachtwagens en ik. Die mannen trekken me uit de auto en slaan hun armen om me heen. “Je zit nog te gillen man”. Ik weet van niks. Voel me versteend. “De dood is dus geel” mompel ik. “Het leven ook jongen en heeft een schuimkraag” Hij wijst op zijn vrachtwagen. Na een paar minuten zegt de ander: “Je moet weer achter het stuur man. En zelf rijden, door je angst en je schrik heen. Anders rij je nooit meer. Toe maar”. Hij doet het portier open. Ik rij weg. Nooit geweten wie mijn leven hebben gered.
Weken, weken lang, zag ik gele busjes opdoemen en stierf ik. In bed, onderweg. Weken, weken lang, nee niet bang om auto te rijden, maar… Bevreemding dat alles hetzelfde bleef terwijl ik me afvroeg of ik nog leefde of droomde of dood was of in een overgangssituatie zat…. waarom er niet iets fundamentelers veranderde.

Vuurwerkramp. We wonen op een net veilige afstand. Constante sirenes van brandweer, politie en ambulances. Constant knallen, explosies. Voortdurend helikopters in de lucht. Zenuwen tot het uiterste gespannen. Kinderen weg. Geen contact mee te krijgen. Waar zijn ze? Daar? Veilig? Opeens staat Koen voor de deur, zoon van een brandweerofficier en een vriend van mijn oudste zoon. “Jullie moeten hier weg. Grolsch staat in brand. Op het dak van de fabriek zit een tank met koelvloeistof, ammoniak. Als die ontploft… de wind staat jullie kant op. Je overleeft het niet.”
De hele ramp is al een soort mistige droom. Maar nu. Als we moeten vluchten, de auto kan niet, straat aan twee kanten afgesloten voor de hulpverleners. Lopen dus. Katten mee? Wat nog meer ? Een raar soort combinatie van hernieuwd besef van sterfelijkheid en van de noodzaak tot praktisch handelen. We hebben geld, katten en papieren bijelkaar als Jan Mans op de tv zegt dat die ramp is afgewend. Het waren anders tienduizend doden geweest in plaats van een goeie twintig. Een raar soort coincidentie: bij een rampenoefening een paar weken eerder had een van de servicemonteurs begrepen dat hij bij brand de ammoniakopslag moest laten leeglopen naar een ondergrondse opslag. Hij belde, kon niemand bereiken en stapte op de camping in Oldenzaal op zijn brommertje, reed naar de fabriek en deed wat nodig was.
De kinderen komen terug. We leven weer, nog. Hier hadden we tijd om na te denken, maar ook om te zien hoe klein en onmachtig je bent als het noodlot je kant op rolt. De knoop in mijn maag ging pas weken later weg. En nog, als ik een sirene hoor, kan die nog uren in mijn hoofd na….

Is hier wijsheid mogelijk? Overschatten we niet voortdurend onze onverwoestbaarheid? Hebben we meneer Dood met de zeis niet zover uit ons leven verbannen dat we niet meer beseffen… of is het maar goed ook dat we ons dagelijks bestaan leiden alsof er geen einde aan zal zijn? Of moeten we ons juist voortdurend bewust zijn van “how fragile we are”?

en is het mazzel? is het karma? had je nog wat te doen? Wijsheid was het nooit…


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *