Maandelijks archief: februari 2020

Gebedsprothese

Dit laatste jaar sloeg de oude dag in mijn mond toe. Door verschillende oorzaken raakte mijn kauwvlak uiteindelijk beperkt tot één hele kies en een brug waar niets meer tegenover zat.. Dan moet je wat, want kauwen met alleen je snijtanden, laat maar. Het werd een “plaatje”. Rond het weekend komt het erin.
Bij “plaatje” dacht ik het eerste deel van mijn leven niet aan kiezen. Ik dacht aan een plaatje als prent, zoals voetbalplaatje, of aan iets dat je draait en dat er dan muziek is, of aan een mooi meisje, of aan een visje in een tropisch aquarium, maar niet aan een metalen beugeltje, gevormd naar je verhemelte, met kunstkiesjes eraan…. Het officiële woord kan bijvoorbeeld gebitsprothese zijn. En toen ik dat in de auto op weg naar de tandarts voor het “happen” hardop tegen mezelf zei klonk het als gebedsprothese. En zo kom je van het prozaïsche plaatje ineens op bidden.

Als gebedsprothesen hadden bestaan toen ik kind was, had mijn moeder er vast één voor me geregeld. Bidden was niet mijn ding. En daar zit een tweede probleem. Dat is een draadje waarvan ik het begin niet kan vinden. Ben ik als gebedscynicus geboren, of te jong te erg teleurgesteld in de vergeefsheid van mijn pogingen? In ieder geval rond bidden zat er al vroeg een fnuikende tegenstrijdigheid in mijn geloofswereld.
De eerste atheïstische trekjes ontstonden pas rond mijn 10e voor zover ik me herinner. Dat ik “kom op hé” dacht bijvoorbeeld bij het verhaal van “jonas in de wallevis” of van Noach en die ark vol met alle bestaande beesten van de hele wereld…  daar waren al eerder korrels zout, maar geen existentiële geloofscrisissen. Voor mijn tiende wou ik best geloven dat de Joden door een gespleten rode zee mochten wandelen bij de uittocht, en dat God Sodom en Gomorra op de kop in het zand kon zetten…en dat Jezus met een paar vissen en broden een heel dorp kon voeden, of water in wijn veranderen, mensen uit de dood kon laten herrijzen. Een God kan wonderen doen. No Problemo amigo. Maar dat bidden?

Wat ik zeker weet, bijvoorbeeld, was dat ik in de eerste klas in het lyceum, 11 was ik, nooit mijn ogen sloot tijdens het gebed en dat ik, toen ik daarop werd aangesproken door een gelovig klasgenootje, iets zei als: “ach die god is zo druk met het tellen van alle haren van al die miljarden mensen op aarde… dat bidden heeft geen enkele zin”. Toen bestond de gebedscynicus dus al.
Het kan bijna niet anders, maar misschien speelde het volgende een rol. De relatie tussen mijn ouders was behoorlijk complex. Mijn moeder zat in het autistisch spectrum en kon slecht tegen onverwachte dingen, storingen, grote emoties. Mijn vader had in de oorlog ruim een half jaar in kamp Amersfoort gezeten en was er met trauma uitgekomen. Hij sprak er nooit over, maar was een makkelijk ontvlambaar explosief. Als hij dat al niet voor de oorlog was, in ieder geval er na. Dat is een combinatie die een smalle en latent breekbare verbinding maakt. Als mijn vader aan het eind van zijn incasseringsvermogen raakte door de onverstoorbare emotionele onbereikbaarheid van zijn partner, haar onvermogen om adequaat te antwoorden op emoties die hem wel raakten, dan volgde steevast een heftige woedeaanval waarbij iets kapot ging en hij verliet dan briesend het huis voor een wandeling van een paar uur. Toen ik een jaar of acht was, ontdekte ik dat ik die aanval kon voelen aankomen door zijn gebed. Hij bad en dankte altijd voor en na het eten. Soms het onze vader, het vaakst het beroemde “kleven-kleven-gebed”. (ik heb ontdekt dat veel protestante kinderen nooit verder kwamen dan kleven-kleven. omdat de zin “en laat ons niet aan dit vergankelijk leven kleven” onbegrijpelijk was. Wat is dat, een vergankelijk leven? Hoe doe je dat dan en ook vooral niet? Je zit zo’n gebed uit met rammelende maag omdat je het eten al ruikt… of je zit klaar om na het eten te gaan voetballen… die woorden doen er dan niet toe). Maar als de spanning opliep bad hij meestal met een iets andere stem “Here zegen deze spijzen, amen”. En mijn moeder, met haar door autisme kleine talent voor aanvoelen wat de betekenis was van dat soort veranderingen, zei er dan iets van, waardoor het soms na het eten direct al fout ging. In ieder geval, het avondgebed rond de maaltijd werd zo meer signaal dan gebed. En bovendien… vergelijk het maar met het haren tellen… dan heb je als God de aarde en het heelal geschapen, de zee en al wat daarin is, kan je dan aan die almachtige God vragen of ie zijn tijd wil verdoen met het zegenen van mijn boterham met kaas? of mijn bordje met aardappelen, vlees en andijvie? En als God niet zegent maar de heere Jezus, we zijn nu 1900 jaar verder na dat kruis, er zijn auto’s, radio’s, machines… is daar dan nog steeds niks op gevonden? En bovendien keurde mijn moeder dat gebed, wat ik tussen de middag moest opzeggen,  dus af als mijn vader dat hardop uitsprak rond het avondeten.
Van mijn vader had ik geleerd dat ik dit soort vragen niet aan mijn moeder moest voorleggen. Daar was ze niet op gebouwd. Opa en hij grinnikten toen ik ze aan hen voorlegde, maar ik kan me geen oplossend antwoord herinneren.

Ik zal als beginnend bidder vaak vergeefs hebben gebeden. Wie niet. God was net zo onverbiddelijk in zijn gebrek aan respons als mijn moeder als ik om speelgoed bad. Of om vergeving van mijn afwezige zonden. Van die zonden wist ik niks, van de vergeving nooit iets gemerkt. En de buikpijnen van oma gingen van bidden ook nooit over. Ik vermoed dat er geen trauma zit, geen vroege diepe teleurstelling in het opperwezen op kwetsbare leeftijd. Alleen een al vroege weerstand tegen rituelen, rituelen die moesten van mijn moeder omdat ze haar veiligheid waren en ze dus bij haar hoorden. En die we alleen om haar volgden…  Die hadden niets met ons te maken..

Blijft staan dat ik me bij een gebedsprothese geen voorstelling kan maken. Of toch… zo’n kussentje, dat wij als gereformeerden niet hadden want wij knielden nooit in de kerk. Mijn kattelieke vriendjes wel. Als ik soms eens met ze meeging vond ik ze. knielkussentjes….

Geheugen, verhalen, zelfbeeld, werkelijkheid

Van de week was ik weer eens in een sporthal. Mijn kleinzoon had een basketbal-toernooitje.
Het was niet zo sterk als in de gymzaal. De geur van zweet, touwen, de matten.

Dertien. Bij het vormen van teams zou ik niet worden gekozen maar toebedeeld. Een nooit helemaal wennende mengeling van berusting, jaloezie, zelfmedelijden en soms haat. Voelbaar onder mijn maag. Dat het mede te verklaren viel uit 1á2 jaar jonger zijn dan de rest hielp niet bij de steekjes op darmniveau.
Ouderwetse macho-gymleraar. Die de kneuzen alleen hielp niet al te hard te vallen bij de toestellen. Hij drilde de sterken en de taaien. De “jochies met alleen een hoofd” …. moesten mee, puffend, soms half ziek na een half uur rondjes om het veld. Minachting in zijn ogen.

Dromen, een soort uittreding, waarin ik even boven mijn hoofd zweefde en mijzelf in dat perspectief zag: een groot hoofd en armen en benen die in de verte steeds dunner werden, slapper, breekbaar.

Lotgenoten, Theo en Arie, we praatten er nooit over, over hoe het was om nooit gekozen te worden maar toegedeeld. Een soort onuitgesproken weten…. nee dat kan niet, die zaten toen niet bij mij op school….

De kleinzoon had twee van de drie wedstrijden verloren en kletste op de bank met zijn vriendjes toen ik weer uit de uiteenspattende zeepbel stapte. Ik had hem wel zien spelen, maar zat in drie werkelijkheden tegelijk, de zijne, die van de geur en die van Arie en Theo.

Ik zit op de grond. Blokken. Motorfietsje met een zijwieltje, dat rondjes rijdt als je het opwindt. Doodse stilte. Zus heeft net drama gemaakt. De deur slaat nog steeds hoorbaar achter haar dicht. Mijn vader mompelt iets als arm kind. Moeder bevriest. Vader gaat wandelen. Ik zing over twee motten in een oude jas. Bang. Steken in mijn darmen. Moeder glimlacht….. Nee dat kan niet. Toen mijn zus puberde was ik veel ouder en speelde ik niet met blokken en dat motorfietsje.

Wie ben je? Wie verzint je? Stel je voor dat je bent die uit dit soort herinneringen boven komt. Niet kloppende herinneringen. Met verhaspelde tijd en plaatsen, verhaspeld publiek en lotgenoten. Stel je voor…

Marcel Möhring gaat in een soort biografisch essay dat De hele wereld heet op zoek naar herinneringen en ontrafelt langs die weg als een archeoloog zijn weg naar het schrijver-schap, of nee hij is niet de archeoloog, hij is de vindplaats, of nee, is er een Dritte im Bunde, die hem in staat stelt zich te zien alsof hij een ander is, die pas echt wordt als een verhaal ontstaat……?

Herinneringen, als een schrijver in een eerste zin, een tijd aangeeft, bijvoorbeeld “ het was dat jaar op 14 juni ‘s middags al 32 graden”, heeft hij voor de lezer al iets gegeven dat die simpele feiten ruim ontstijgt. Een herinnering van de lezer aan een warme zomerdag. En dag op een plaats, een dag met context…. De ene lezer werkte, de tweede kreeg op dat moment haar eerste kind en de derde droomde in een tuinstoel. Op dat moment stap je als lezer een verhaal in, waarin je met al je subjectiviteit, je emoties, je angsten, je nieuwsgierigheid deelnemer blijft als het boeiend genoeg wordt verteld. Wat is het verschil met het echte leven? Zit je dan ook als een lezer in het verhaal over een hoofdpersoon die je ook zelf bent? En als het verhaal al gedeeltelijk fictie is, met blurred facts…. en de lezerscontext van een soort “nu” die verwarde beelden uit je jeugd (en andere vormende ervaringen) verder vervormt….. wie ben je dan… in gecombineerde plaatsen, meerdere momenten tegelijk en met verschillende contexten en die verschillende betekenissen geven aan wat je deed, overkwam en doorwerken in het nu?
de vraag van Mak, kan je geschiedenis zien op het moment zelf? Of heb je daarvoor later die vreemde mengeling van feitjes en door geheugens verleende betekenissen nodig? Wordt geschiedenis daardoor ooit meer dan een boel fictie gelardeerd met feitjes en namen die voor alle lezers een eigen context zijn?

Wanneer kan je dan ontdekken wie je werkelijk bent? Is de man die leiding ging geven dezelfde als het niet gekozen berustende jongetje? Of zit ik inmíddels in een ander boek ? Of moet ik nog een verhaal verzinnen dat die metamorfose verklaart? Want uitleggen kan alleen met een verhaal, een verhaal dat logischer en meer “sluitend” zal zijn dan de werkelijkheid vermoedelijk was. Die chaotischer is, meer van toevalligheden aan elkaar hangt, waar succes en falen van meer afhankelijk zijn dan van schrijver en hoofdrolspeler… waar daden meer onvoorziene dan voorziene gevolgen hebben. Die werkelijkheid…. Die lijkt op de verwarrende, nauwelijks samenhangende narratieve boeken van James Joyce, Ulysses en Dubliners bijvoorbeeld

Vertrouwen tussen organisaties

Mijn vriendin Frédérique heeft een blog geschreven over vertrouwen tussen organisaties. Ze beschrijft het allemaal nogal nuchter en analytisch, ik kan me er goed in vinden, maar heb het gevoel: het zal het begin zijn, er komt vast meer. Ik zal de link straks aan het einde noemen. Ik heb het altijd al een intrigerend onderwerp gevonden.

Zo heb ik me in Almere, toen de snelst groeiende stad van Nederland met de hoogste woningbouwproductie, even mogen bemoeien met de projectorganisatie die deze groei moest bewerkstelligen. Laat ik een boze opmerking van een stedebouwkundige over de projectleiders parafraseren: “die jongens zeuren de hele dag over het projectbudget en deadlines, over tien jaar weet niemand of dat gebouw iets te duur was of niet en of het op tijd werd opgeleverd. Dan gaat het over of het mooi is, en functioneel, en of het past in zijn omgeving. Weet iemand of de beurs van Berlage of het Hilversumse stadhuis van Dudok op tijd en binnen budget af was? Nee het interesseert niemand ene moer”. En dit gaat dan alleen nog maar over de spanningen tussen twee afdelingen in één organisatie, en dan nog binnen de harde sector ook. Het aardige is dat de twee mannen die over elkaar klaagden (de klacht van de projectleider was een exact spiegelbeeld) het overigens persoonlijk goed met elkaar konden vinden en elkaar vertrouwden. Ze waren beiden voorspelbaar voor elkaar maar lastig. Er was wederzijds respect voor hun professionaliteit. En ze gingen beiden voor hetzelfde doel: de toekomstige bloei en kwaliteit van hun stad.

Kortom: als we het over vertrouwen hebben tussen organisaties, komen complexiteiten aan boord. Laat ik proberen een aantal kenmerken van die ingewikkeldheid te benoemen:
1. Hebben beide organisaties hetzelfde doel voor ogen?
2. Welk belang hechten de organisaties aan dat doel?
3. Wat is het krachtenveld in deze organisaties? Vanuit welke bestuurlijke concepten worden de organisaties bestuurd?
4. Zijn er grote culturele verschillen en zijn die overbrugbaar?
5. Hoeveel vrij speelveld hebben beide organisatie om de samenwerking in te vullen?

Frédérique haalt voorbeelden aan over de samenwerking tussen een gemeente en een waterschap. OK twee werelden waar ik een beetje over kan meepraten. Mag ik deze vijf dimensies (er zijn er vast meer en misschien nog wel spannender ook) een beetje toelichten met die werelden?

ad 1. Bijvoorbeeld: Een gemeente wil eigenlijk het liefst, denkend vanuit de infrastructuur van de stad, een nieuwe wijk bouwen in een gebied dat qua waterbeheersing complex is. Dat kan complex zijn vanwege de grondwaterstand of vanwege het feit dat gezien het omliggende gebied daar grote waterbuffers nodig zijn, of wat ook. Dan wil het waterschap de functie die het gebied heeft in breder verband veilig stellen. Die doelstellingen passen niet zomaar op elkaar. Er is van weerszijden welwillendheid en behulpzaamheid, compromisbereidheid enzovoorts nodig om dat te bereiken. Het probleem met vertrouwen is hier, dat die overeenstemming wel kan worden gevonden in het begin, maar als doelstellingen groeien, evolueren gedurende een project en bijsturing vragen en dat is meestal het geval, dan wordt het spannend en dan is het escalatiemechanisme waarover Frederique schrijft belangrijk.

ad 2. In het bovenstaande geval zullen voor beide organisaties grote belangen op het spel staan, die ook voor beide grote financiële kenmerken hebben (grote investeringen). Een programma van een waterschap waarbij aan burgers worden gevraagd de verstening van hun tuintjes terug te draaien, om ellende in het stroomgebied van een riviertje wat verderop te verkleinen, zal van een gemeente welwillende medewerking opleveren, maar niet zomaar een investeringsbijdrage of wat ook. Er ontstaat een soort incongruentie waarin een van de twee zomaar vragende partij is en de ander nauwelijks een belang heeft. Dan wordt ook de samenwerking op uitvoerend niveau complexer. En dan zal de vragende partij af en toe vraagtekens krijgen achter het vertrouwen in de partner, die niet zo hard loopt als verwacht.

ad 3. Wat is het krachtenveld waarin een gemeentebestuur op dit moment opereert? Nou. ik kan de zekerheid geven dat de financiële nood door bezuinigingen op Rijksniveau en de decentralisaties in het sociale domein groot is. Gemeenten worden soms door de rechter gedwongen om in het sociale domein geld uit te geven, dat alleen te vinden is door de randjes af te knippen van onderhoud op gebouwen en infrastructuur, door te knijpen op investeringen en personeel. Waterschappen hebben de gevolgen van de veranderingen in het klimaat voor hun neus. Duurzaamheid, waterpeilstijgingen, vaker grote hoeveelheden watertoevoer in grote rivieren, inklinkende en verdrogende grond in het oosten van het land. dat is één soort krachtenveld, inhoud en geld. Een ander soort kenmerk dat leidt tot een soort krachtenveld voor de professionals in de organisatie is de manier waarop wordt gestuurd: een gemeente heeft een veel “politieker” bestuur dan de nog veel lichter gepolitiseerde waterschappen. De druk van de openbaarheid en media-bespelende oppositie is in een gemeente veel groter. Ambtenaren daar hebben geleerd veel behoedzamer om te gaan met hun professie dan in waterschappen, waar de logika van techniek nog steeds prominenter is. Ook in het bestuur. En ik kan je verzekeren dat een “politieke” organisatie meer vertrouwensvragen oproept dan een professionele.

ad 4. Ik vermoed, dat wat ik hierboven onder ad 3. heb beschreven ook grote gevolgen heeft voor de cultuur. Maar er kunnen veel meer dimensies zijn, waarop het spannend kan worden tussen organisaties. Zoals de vraag wie je klanten zijn en wat je product is. Gemeenten dealen meer met afzonderlijke burgers en gemeente besteden veel techniek uit. Waterschappen doen veel meer zelf en hebben een veel fysieker product. Gemeenten hebben een kortere termijn als perspectief voor “slagen” en/of “succes” dan waterschappen. Gemeenten hebben een veel breder productenpalet en kennen daardoor meer interne competitie, die ook nog eens door modern publiek management kan zijn aangewakkerd (grote druk op het halen van targets kan leiden tot een interne gerichtheid die gemakkelijk kan omslaan in het tegenwerken van anderen). Als we dit even naar andere organisaties overzetten, bedenk dat cultuur vaak iets is waarvan je je pas bewust wordt als je wordt geconfronteerd met een andere, en dan nog is het lastig benoemen. Als de ene organisatie een waarde hoog heeft staan die voor een andere nauwelijks speelt is dat een grote rem op vertrouwen.

ad 5. Speelruimte en voorspelbaarheid dus. Tja. In gemeenteland, laat ik dat voorbeeld maar weer nemen, heeft zich een grote politieke versnippering voorgedaan, met als gevolg dat er vaak coalities zijn gevormd, met veel partijen die toch een maar krappe meerderheid in de raad hebben. De eerste opdracht van de collegepartijen en leden van het college, is dan “niet afwijken van de afspraken in het collegeprogramma, hun regeerakkoord, want dat schept mogelijkheden voor de oppositie om de boel uit elkaar te spelen”. Het is voor de factor voorspelbaarheid een gouden toestand, maar voor de souplesse om gedurende het samenwerkingsproject bij te sturen een flinke ramp. Als dat al lukt gaat dat traag en met risico’s. En we leven in een snel veranderende wereld. Het derde kabinet Rutte (ook zo’n meerpartijenclub met krappe meerderheid), struikelt voortdurend bijna over stikstof, PFAS, lerarentekort, Brexit, klimaatakkoorden, gebrek aan verzorgenden, groeiende weerstand tegen vuurwerk, Oostvaardersplassen en het vliegveld Lelystad. het merendeel was niet voorzien en niet in die impact bij het regeerakkoord. Er zijn nogal wat mensen die vinden dat de slagkrachtige Rutte nu te weinig regeert. En wat zien we, het vertrouwen van gemeenten en universiteiten bijvoorbeeld in hun trouwe partner rijksoverheid neemt af. De onzekerheid die het gebrek aan speelruimte in de omgeving oproept is groot.

Welnu, aan analyse kom ik dus nog wel een beetje toe, maar wat betekent dit alles nou voor het vormgeven van een al dan niet structurele vertrouwensrelatie tussen organisaties? Daar heb ik nooit veel antwoorden op gehad, eigenlijk maar twee:
1. Als het kan, maak het spel tussen de organisaties zo simpel mogelijk. Zo zakelijk mogelijk. Heldere specificaties van leveringen, prijzen, termijnen, geschillenregelingen, etc. Dan weet je wat je moet doen om het vertrouwen van de ander niet te verliezen.
2. Als dat niet kan, en dat kan in ingewikkelder situaties vaak niet, vooral vaak niet rond maatschappelijke thema’s… vind dan regelmatig ruimte voor dialoog, waarin je doel, belang, druk, waarden, speelveld, onmacht, neveneffecten, interne veranderingen, etc. bespreekt en elkaar op zijn minst begrijpt. Dat is ook de essentie van de laatste suggestie van Frédérique

Het artikel waar ik op reageerde vind je op frederiquesix.nl/vertrouwen-tussen-organisaties/