Maandelijks archief: augustus 2018

Het bureau

Ik ben te laat denk ik. Of zou ik een paar jaar geleden ook die allergie hebben ontwikkeld? Het bureau gaat over een afdeling van het Meertens Instituut voor taal en cultuur, onder de vlag van de KNAW, waar de schrijver, J.J. Voskuil, 30 jaar afdelingshoofd was. Of het bureau een persiflage is of toch een aanklacht, literair verpakt, of beide, weet ik niet. Sommige mensen lachen zich rot, anderen, zoals ik misschien, voelen strijdlust opkomen.
Eerder schreef Voskuil ‘Bij nader inzien’, een minutieus relaas over een (zijn?) studentenleven. Dik en lang en waarschijnlijk stevig gebaseerd op ervaringen van hemzelf en zijn vrienden. Het bureau is, ik vergeet het steeds 7 of 8 boeken lang. En zeer minutieus. Zeer scherpe tekeningen van het reilen en zeilen in een bureaucratisch/wetenschappelijk instituut. De intriges, de vertragingen, de pijnlijkheden in de zeer gereguleerde onderlinge omgang. Ik ben iets over de helft van boek 2. En begin me te realiseren dat ik weer een challenge ben aangegaan die waarschijnlijk teveel van het goede is.

Ik kwam ooit, ik was inmiddels al ambtenaar af, een cartoon tegen die eigenlijk nogal symbolisch was voor een van de belangrijkste drijfveren in mijn werkende leven. Hij ontstond al op mijn 16e uit ervaringen tijdens vakantiewerk. Op de tekening stond een mannetje voor zo’n kastje, een locker, in een verkleedruimte. Het onderste vak was het grootst. Daar hing hij ’s avonds zijn werkkleding en haalde er zijn jas en schoenen uit om dat de volgende dag weer om te wisselen. Daar boven zaten drie kleinere vakken. Een voor zijn lunch, een om ’s morgens zijn hersens te deponeren en een voor zijn hart. Ik realiseerde me toen dat er in mijn cartoon een vierde vakje was, voor zijn waardigheid als mens. Eigenlijk heb ik mijn hele leven eraan willen bijdragen dat je er in een organisatie gewoon mocht zijn zoals je bent, en niet alleen als rollenspeler, functionaris of verlengde van een machine met gemeten prestaties en gewogen kosten.

Het begin van mijn ambtelijk bestaan (1970) viel bijna samen (3 jaar later) met het begin van de Bureau-reeks. En ja ook ik kwam in een organisatie met veel barok vertoon van gehechtheid aan status, hiërarchie en anciënniteit. Je kon op zijn minst op drie manieren worden aangesproken
– Meneer Jansen en ‘U’: die was hoog en al wat ouder. Die hield afstand tot de meesten. Gezag en nabijheid interfereerden kennelijk met elkaar
– Jansen en meestal ‘jij’ soms ‘u’. Wat minder hoog, wel al bewezen kwaliteiten en wat ancienniteit. De jij-zeggers waren ongeveer even oud en gelijk in rang. Meneer Jansen zei Jansen “jij” tegen Jansen, nieuwe en ‘lagere’ mensen zeiden Jansen ‘U’
– Jan en jij was voor nauwe collega’s en voetvolk.
Soms liep het door elkaar. Was je ‘U’ in een vergadering en jij in de wandelgangen, of zelfs ineens meneer ter vergadering. En daar zaten allerlei subtiliteiten omheen die tot onhandigheden en pijnlijke situaties konden leiden. Ik kwam te werken op een onderzoeksafdeling met 6 universitair geschoolde onderzoekers die elkaar tutoyeerden en bij de voornaam noemden. Wij noemden ook het hoofd Jan. Daarnaast zaten 7 statistici en twee documentalisten. Van de statistici werden er 7 jij Jansen genoemd en een jij jan, van de twee documentalisten een jij Jan. Wij onderzoekers heetten voor hen allemaal jij Jansen. Totdat vriend Willem en ik er allebei op stonden na een maand of twee dit mausoleum aangezien te hebben dat we door iedereen Willem en Hero zouden worden genoemd en een aantal statistici hun voornaam niet wilden bekend maken. Bang voor de impliciete degradatie die het ‘Jan’ worden betekende. Dansende poppen. Willem en ik kregen onze zin, de rest bleef onveranderd, besliste baas Jan na een paar weken.
Na twee jaar kreeg baas Jan longkanker en werd ik tot mijn eigen verbazing benoemd tot tijdelijk plaatsvervanger. Dat betekende dat ik moest participeren in de vergadering van hoofden van de secretarie. Dat was een gezelschap bestaande (voor elkaar) uit een meneer, de gemeentesecretaris en 10 Jansen-jij’s. Maar ik werd tot dan toe geacht tegen alle Jansen-jij’s ter vergadering ‘U’ te zeggen. Soms zelfs meneer U. Ik heb me vanaf minuut 1 gedragen of ik erbij hoorde en noemde iedereen Jansen-jij. Er waren er zelfs die na een paar weken zeiden dat ze er geen bezwaar tegen hadden als ik ze buiten de vergadering Jan noemde. Meneer de secretaris heeft het bijna tot het eind volgehouden om me meneer U te blijven noemen als symbool voor dat ik er niet bij hoorde. Totdat hij een keer woedend op me werd en me begon uit te schelden. Ik heb hem toen bij zijn voornaam genoemd en gemeld dat ik graag verder wou praten als ie wat was afgekoeld maar deze toon niet gepast was, gezien de aanleiding. Die blijk van eigenzinnigheid heeft hij zo gewaardeerd dat ik daarna gewoon Hero werd. Later, toen de omgangsvormen al wat losser werden, heb ik een collega-afdelingshoofd een keer zijn afdeling zien op rennen, op zoek naar Hans Jansen, Hans aanschietend met de vraag, Hans, waar is Jansen. Niet alle vormen van vernieuwing werken voor iedereen.
Menselijke waardigheid. Ik heb er als academicus in een organisatie waarin die toen nog relatief zeldzaam waren nooit over hoeven klagen. Waardigheid was voor de bovenlaag snel, na wat ontgroeningsachtige schermutselingen als je nieuw was, vanzelfsprekend. Daaronder was het lastiger. De chefs, plaatsvervangers en de academici, bijvoorbeeld, werden ook vertrouwd met de telefoon. Anderen deelden met zijn vieren één telefoon waarmee je alleen intern en lokaal kon bellen. De tien procent waar ik bij hoorde kon gewoon interlokaal bellen. Zo wemelde het van de subtiele regeltjes die met een gemiddelde van een keer per maand werden gepubliceerd in “secretarie-aanwijzingen”. Standaard-A5jes met vaste indeling, die het gebruik van de kantine regelden of van de fietsenstalling of de reiskostenvergoedingen. Je kreeg als nieuwe medewerker een speciaal A5-ordnertje, waar de aanwijzingen van de laatste 5 jaar al inzaten en die van de komende 10 jaar nog wel bij in zouden passen. In één van die aanwijzingen werd ooit opgenomen dat, om het verschil met openbare werken te verkleinen, ook de secretarie zou gaan tijdschrijven, maar alleen commiezen en lager. Hoofdcommiezen en hoger werden vrijgesteld. Bij de kantine extra koffie bestellen als je in gesprek was kon ook alleen vanaf rang hoofdcommies, en zo voort.

Het bureau, wat is het, 2000 bladzijden vol van dit soort strijdjes, gehannes en onhandigheid? Ik heb zelf dit soort gedoe zien oplossen in wat modernere omgangsvormen, maar machtstrijdjes, Machiavelliaanse spelletjes, “ladderen” (kijken hoe de pikorde in elkaar zit en dan gewoon, van onder naar boven iedereen die in de orde boven je zit laten afgaan en het rangverschil daarna periodiek bevestigen “Ja, we weten nu wel dat Jansen altijd tegen dit soort vooruitgang is voorzitter, kunnen we nu door?”). Subtiele verschillen in rechten rond flexplekken… Vreemde prestatiemetingen voor uitvoerend personeel. Het zal niet echt uit te roeien zijn. Maar om dan 2.000 goed geschreven bladzijden, zo goed geschreven dat ik alle oude strijdlust voel opbloeien zonder nog de mogelijkheid om iets te doen, zonder de mogelijkheid om een ander soort voorbeeldgedrag te vertonen, nog eens 2.000 bladzijden die me laten herbeleven…. Ik denk dat ik het niet red. Dan maar weer Murakami

Murakami: Loslaten in verantwoordelijkheid voor de weg

Murakami behoort tot mijn favoriete schrijvers. Ik heb bijna alles gelezen wat van hem is uitgebracht hier. Ik beveel hem ook vaak aan. Ik vraag me vaak af waarom. Aan de oppervlakte is er iets structureel hetzelfde in vrijwel alles wat hij schrijft:
1. Zijn hoofdpersonen zijn saai, willen saai zijn en kiezen voor een voorspelbaar leven
2. Er gebeuren dingen die “niet kunnen”, er ontstaan parallelle werkelijkheden, er komen personages die bijv. alleen de hoofdpersoon kan zien en horen
3. De saaie persoon gaat met behoud van een stevige portie nuchtere saaiheid een avontuur aan in die parallelle werkelijkheid, soms langs het randje van de dood.
Je zou zeggen, dat heb je na een paar keer toch wel gezien. Maar nee, er is iets onder die oppervlakte wat steeds weer trekt. Ik denk dat het iets is dat te maken heeft met psychologie, ethiek en filosofische thema’s.

Ik schreef nog niet zo lang geleden in een van mijn blogs dat ouder worden betekent dat je jezelf steeds opnieuw moet uitvinden. En hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik vermoed dat er daar iets zit. Maar dan complexer. Niet een oude jas uittrekken en een andere aantrekken, dat zou de wet op behoud van iets veranderde saaiheid zijn. Maar meer iets als ‘ontdekken dat je met behoud van wie je bent een boel ruimte om je heen hebt om te groeien, te veranderen, mee te stromen met het leven’. Ik kom er op terug.

De saaiheid van de hoofdpersonen is zelfgekozen. Soms komen ze het huis niet of nauwelijks uit, zitten ze achter een muur, in een put. Ze trekken zich terug. Het is niet de saaiheid van een boekhouder in een bedrijfje of zo. Meestal zijn ze zelfstandig en vrij. Ze hebben als vrijgezel oppervlakkige relaties (met een oudere getrouwde vrouw bijvoorbeeld, relaties die bewust zonder perspectief zijn op een confronterend “meer”) of een huwelijk waarin de echtelieden elkaar nauwelijks echt raken. De saaiheid heeft te maken met controle en zelfbescherming vaak. Veel hoofdpersonen hebben een trauma uit de jeugd, een overleden zusje, gepest zijn, een dominante vader, of zelfs een Oedipale vloek van de vader. De hoofdpersoon identificeert zich enerzijds sterk met dat trauma en verschuilt zich achter de muurtjes waarachter hij enigszins heeft geleerd met dat trauma te leven. Controle en zelfbescherming. Anderzijds proberen ze juist hierdoor zo weinig mogelijk te voelen van dat trauma. Een aantal keren wordt in zijn boeken het perspectief van een dergelijk leven getekend: een opslagplaats vol flipperkasten die wachten om aangeraakt te worden, een stad aan het einde van de wereld waarvan de inwoners zonder geest zijn en alleen leven om hun dagelijkse behoeften te bevredigen. Waar je je leven laat bepalen door het zelfbeeld , de “identiteit” rond dat trauma, leidt deze vorm van beheersing door gedeeltelijke terugtrekking uit het leven en pijnvermijding tot verstening en vernietiging van identiteit, tot geestloosheid en passiviteit.

Geketend door dat zelfbeeld is een dergelijk vredig en geestloos bestaan soms uiterst aantrekkelijk. Maar meestal gebeurt er dan iets waardoor de hoofdpersoon zich bewust wordt van een zekere ruimte om zich heen. De echtgenote vertrekt, hij wordt verliefd op de oren van een onbekend meisje, hij ontdekt een schilderij met een levend raadsel, hij ontmoet een oude vriend of die raakt juist zoek. Hij krijgt intensieve dromen. Soms ontstaan echte zwangerschappen uit gedroomde seks, soms overlijden mensen door een gedroomde moord. Heel vaak ontstaat bij mij als lezer na verloop van tijd onder de verwondering over het verhaal een langzaam besef dat andere figuren uit het verhaal deels personages zijn die onderdeel zijn van de mogelijkheden, de potentialiteit die de hoofdpersoon zelf in zich heeft. Er ontstaat soms strijd op leven en dood waarbij de keuze om de oude ketenen te breken steeds dichterbij komt en soms iets onvermijdelijks krijgt. Het is een strijd tussen het “kristal” van de gekozen en zelf doordachte oude identiteit en de mogelijkheden om die te transformeren tot iets levends. Allee tot zover de psychologie.

In een aantal boeken komen religies en ideologieën voor. Soms ook een beetje ijl a la de Little people uit 1Q84. Soms concreet als een organisatie die mannen doodt die hun vrouw mishandelen (ook 1Q84) of sektes met leiders met speciale dwingende gaven. Er zijn dan leiders die een alibi zijn voor de ethische passiviteit en de ethische leegte van de hoofdpersoon. Er lijken dan dwingende krachten aan het werk. In Kafka aan het strand, meen ik, leest de hoofdpersoon Hannah Ahrendt en het relaas van Eichmann die zonder veel visie de ideologie van het Nazi-dom overnam en gewoon zijn plicht deed. De grootste schurk bleek iemand te zijn met een talent tot volgeling zijn. Er is een parallel met de psychologische duiding hierboven, alleen dit is minder door trauma’s gestuurd, maar hier draait het om een ander idee. Het heeft volgens mij te maken met een soort levenshouding van Murakami zelf, die wars is van ideologie en religie. Nietzsche beschreef rond het thema “God is dood” het verval van de onbewuste kennis van religie en de symbolen daaruit die het handelen van mensen kunnen sturen. Wie het scheppingsverhaal een dom verhaaltje vindt met de zeven dagen en het paradijs, niet echt gelooft dat Jezus is gezonden om jouw zonden, dat Mohammed echt met Allah heeft gesproken, die moet elders, in zichzelf bijvoorbeeld, op zoek naar zin en ethiek. Liberaal egoïsme ligt op de loer, verblinding door consumptiemogelijkheden, stress door gewenstheid van een succesvol image. Murakami gelooft in die vrijheid van (het bevrijd zijn van bedoel ik) religie en ideologie. Het behoort al tot de reddingsboeien in het verstenende bestaan van pijnloosheid door controle. Maar ook hier vind je in zijn boeken allerlei signalen dat het meedoen aan de stroom van het leven, het betreden van de ruimte om je muurtjes heen, iets vraagt. Er is sprake van (gedeeltelijk) loslaten van dat oude kader maar tegelijkertijd het nemen van een soort verantwoordelijkheid. En niet alleen voor het eigen leven, ook of juist voor het leven van anderen waarmee je je bent gaan durven verbinden. Liefde is vaak een van de motoren voor het avontuur, het (onder-)zoeken van de ruimte om je heen. En bij die liefde hoort trouw tijdens en aan het proces en volhouden. Een verbinding kan alleen ontstaan als het muurtje gedeeltelijk opengaat en je dus iets van je oude veiligheden loslaat. Maar dan ontstaat ook verantwoordelijkheid voor de ander en wat je samen met die meemaakt en opbouwt. Soms lijkt het of de nieuwe bron van ethiek, zin en richting in die verantwoordelijkheid voor het gezamenlijke moet worden gevonden. Maar dat kan nooit “definitief” zijn. Geen kristal, als Islam of socialisme, want het leven zelf vloeit en stroomt. Murakami bouwt nergens een nieuw ethisch gebouw. Wat uit alle transformatieprocessen voortkomt blijft altijd open.

Ik zei al, het gaat niet om een oude jas uit en een nieuwe aan, zo’n transformatieproces. Je moet wel door je trauma heen durven, maar het trauma verdwijnt niet. Je moet wel door je schuldgevoel heen van dat je misschien je zusje had kunnen redden, of van je fouten gemaakt door passiviteit en volgzaamheid. Maar ze blijven onderdeel van het stromende leven. Een boom wordt misschien niet bepaald, maar wel een beetje getekend door de moeilijke jaren en de goede. De daar uit voortvloeiende dunne en dikke jaarringen blijven in zijn stam bestaan. Maar hij groeit alleen door als hij open blijft voor zijn biotoop. Je bent een kind van je tijd, plaats en eigen keuzes. Waar het om gaat is om met die bagage aan angsten, pijntjes, schuldgevoelens trots of wat ook, samen met anderen de ruimte te betreden die het leven elke dag weer biedt. Ruimte om je muurtjes heen, maar ook nog steeds in jezelf voortgaand in de stroom van het leven.

Jezelf steeds opnieuw uitvinden dus. Als ouder wordend mens moet dat ook. Je houdt van wandelen in de bergen, maar je wordt stram, je houdt van muziek, maar lijdt aan gehoorverlies. Er is geen werk dat automatisch je agenda vult en je energie stuurt. Daar kan je je in wijsheid bij neerleggen en een leven zoeken dat verglijdt in een ritme dat de tv nodig heeft om te horen welke dag van de week het is. Je consumeert misschien wat minder…. Je kunt proberen de pijntjes die bij dat verlies horen op te lossen in versteviging van oude rituelen en opvattingen. Maar…
Het leven schotelt je met enige regelmaat een boel ruimte voor die ontstaat door het “niet meer” of “steeds minder” ten opzichte van het oude leven. Je kunt in die ruimte gaan zoeken naar “je ware zelf” of zoiets, of naar “de” zin van het leven. Maar wat als die nou niet bestaan? Als er geen ander ware zelf is dan het zelf dat die ruimte vult samen met de anderen die hij of zij in het hart heeft gesloten? Als “de” zin van het leven bestaat uit het samen met die anderen elke dag weer opnieuw de weg te bewandelen die zich al wandelend ontvouwt? Beetje trager en strammer misschien, met wat meer behoefte aan steun misschien?
Als dat waar is ontdekt de Taoïst in mij de liberale Taoïst in Murakami. Want ook dat is een vloeiend etiket…

Karel. Werkelijkheid en metafoor.

Nu
Het schemert al wat. Karel zit op een van de tuinstoelen. Hij ziet er beter uit dan een paar jaar geleden. Zijn haar zit goed, niet meer van die plukken. Hij ziet er ook meer verzorgd uit. Hij is een tijd niet geweest. Een paar jaar niet. Maar ik kan ook niet zeggen dat we hem hebben gemist. Hij was er gewoon een tijd niet en nu ineens weer wel. We denken dat het komt door de vakantietijd. Knap dat hij ons weer weet te vinden.

Ooit
Ooit was het bestaan vredig. We leefden samen. Hadden vier katten. Er was de oude Fruts (eigenlijk Tashbih) een gesteriliseerde kater, en Aiko met haar twee zonen, Tarzan en Julius. De vier katten sliepen vaak vredig bij elkaar, speelden met elkaar. Geen wanklank. Aiko was nog niet gesteriliseerd, voor het geval we een tweede nestje zouden willen. Toen begonnen we katergesproei te ruiken, buiten, tegen de tuindeuren. Nadat de krolsheid over was verdween ook de stank. We lieten Aiko steriliseren. Maar er was iets veranderd. Alsof het viertal haar onschuld verloren had.

Hoe het begon
Er ontstond steeds meer animositeit tussen de drie katers. O nee, niet ernstig of structureel. Ze sliepen nog steeds vaak met zijn vieren bij elkaar. Maar er was iets. Soms werd er binnen gesproeid en dan om de beurt alle drie op dezelfde plek. Dan weer tijden niet. Wat het was? OK iedereen weet dat bij drie katers bij elkaar en zeker Burmezen, gecastreerd of niet, het kan mis gaan. Maar het ging 80% van de tijd goed. Wat was de bron van de verstoring, van het patroon van verstoringen?
Na verloop van tijd kwamen we er achter dat er in de buurt een zwerfkat rondliep. Zwart met een wit befje. Gescheurde oren. Vacht vol teken. Een vechtersbaas. Een zwerfkat met een groot territorium. Niet gecastreerd. Hij kwam regelmatig bij ons in de buurt. Maar vreemd genoeg deed hij onze katten niets. Als de oude Fruts hem wilde verjagen deed hij een paar stappen opzij, maar vocht niet. Hij kwam steeds vaker. En de interne verhoudingen bij ons raakten steeds vaker verstoord.

Een niet te vermijden aanwezigheid
Lang was hij een soort levend ding, aangeduid door zijn soortnaam, een zwerfkat. Geen individu, maar een iets op pootjes. Iets waartoe afstand bestaat. Alsof hij uit een ander deel van de wereld kwam. Op den duur was hij dagelijks bij ons of bij de buren. De buurvrouwen besloten dat hij honger moest hebben. Zielig was. Een individu was die in onze gemeenschap diende te worden opgenomen. Ze zetten brokken neer, buiten.
Dat ging niet zonder slag of stoot. “Als je dat gaat doen, hang je erin ma” zei mijn oudste zoon toen hij het verhaal hoorde. Ook bij de buren waren dat soort geluiden waarneembaar. “Als je dat gaat doen gaat hij niet meer weg, met zijn teken en zijn vlooien en zijn ballen”. Ik was vooral bezorgd over de effecten die de voortdurende aanwezigheid van deze vreemdeling had op onze katten. Er ontstond steeds meer spanning en competitie. Er werd steeds vaker in huis gesproeid door de katers. Ik vond dat ons vredige samenlevinkje was verstoord door de aanwezigheid van deze vreemdeling en dat wij eerder toe waren aan weren van vreemdelingen dan aanhalen en eten geven. Maar de dames hielden vol. Dat is wat er gebeurt wanneer een samenleving een vreemde deels blijft zien als vreemde representant van een soort en een ander deel als een individu met bestaansrecht. En op zich maakt het allemaal niet uit. Als je besluit geen geweld te gebruiken, is ie er gewoon. Alleen hij wordt op verschillende manieren gezien.

Hoe hij aan zijn naam kwam
Het moet ongeveer binnen een week zijn gebeurd. Zowel bij ons als bij de buren was hij het huis in gelopen. En hij had zich niet onbetuigd gelaten. Hij had in beide huizen flink gesproeid. “Hier woon ik”, stond er in twee huizen met hoofdletters op de muren. En dat was ook de dames iets teveel van het goede. Waar onder de mannen een soort “ziejewel-sensatie” ontstond, die ons een rechtvaardiging leek te bieden voor ons beleid van afstand en afscheid als het even kon, ontstond er iets tweeslachtigs bij de vrouwen. De gedachte was dat honger diende te worden uitgebannen maar dat het individu dat ze kenden en dat zich liet aanhalen zijn grenzen moest leren. De tweedeling in onze gemeenschappen werd dieper. De behandeling van onze vreemde kat werd wat meer onvoorspelbaar. Soms werd hij aangehaald, soms weggestuurd. Op een dag, toen het beest met mooi weer en een open tuindeur weer pogingen deed om binnen te komen en werd verjaagd, zong ik een oud liedje van Elsje de Wijn: “Nee Karel, nee Karel, niet vandaag. Nee Karel nee, al wil je nog zo graag. Er zijn van die dagen dat ik niks ken velen. Ga jij nou maar schaken met die interlectuwelen. Misschien wil ik morgen, misschien zelfs wel heel graag. Maar nee Karel nee Karel, niet vandaag.” En zo werd hij, ook voor degenen die hem liever kwijt waren, een individu, met een naam, een identiteit, werd “Karel” een persoonlijkheid waarmee je een verbinding had. Die nadelen had en vervelende effecten, maar tegelijkertijd een zeker bestaansrecht verwierf.

Hoe hij verdween
Zou ook of juist een zwerfkat zijn trots hebben? Het regime dat ontstond was knellend misschien: Je mag ’s avonds langskomen voor wat brokken, maar je voortdurende aanwezigheid maakt onze katten onrustig dus ga de rest van de tijd alsjeblieft onze tuinen uit”. Zoiets. Je mag hier zijn als we geen last van je hebben en op onze voorwaarden. Soms werd de sproeier aangezet. Soms liepen we wat dreigend naar hem toe. We zagen hem op den duur steeds minder. Met andere buurtbewoners namen we soms kontakt op. “Ja hij bestaat nog en als we zien dat het slecht gaat krijgt hij brokken. Okee.” Hij mocht er zijn, maar hoorde er niet bij. Een minimum, een bodem werd gelegd. Een soort bed-, bad-, brood-regeling. Hij verdween uit ons zicht.
Toen Fruts en Tarzan overleden werd het rustiger bij ons. Mijn vrouw beweerde dat ze Karel had gezien toen we de Fruts begroeven. Alsof hij afscheid kwam nemen, de laatste eer betuigen voor de enige in onze gemeenschap die nog een beetje het lef had gehad om het tegen hem op te nemen. Ze werd nauwelijks geloofd

Nu
Het schemert al wat. Karel zit op een van de tuinstoelen. Hij ziet er beter uit dan een paar jaar geleden. Zijn haar zit goed, niet meer van die plukken. Hij ziet er ook meer verzorgd uit. Hij is een tijd niet geweest. Een paar jaar niet. Maar ik kan ook niet zeggen dat we hem hebben gemist. Hij was er gewoon een tijd niet en nu ineens weer wel. We denken dat het komt door de vakantietijd. Knap dat hij ons weer weet te vinden.
Hij krijgt weer brokken. Buiten. Misschien is degene die voor hem zorgt op vakantie en volgende week weer terug….