Trouw.

Is niet het tegendeel van ontrouw, of iets van tegen beter weten in bij tegenspoed… En ik bedoel zeker niet de krant.
Misschien een soms onvermijdelijke natuurlijke keuze?

Lied (In het midden) van Herman van Veen:

Hij was een man van weinig woorden
Hij zocht een vrouw
Hij zei hallo, hij nam een stoel en zei
Ik zou
Jou ontzettend graag
Heel oppervlakkig leren kennen
Ze zei: dat is goed
Maar ik moet wel
Een andere jurk aan

Er leeft een angsthaas of een wezel
In elk van ons
Die, als hij even maar de kans krijgt, ondergronds
Zich in zoveel bochten wringt
Tot we ophouden met vragen
Naar de zin
Van jaarin
Jaaruit
Dezelfde vrouw

Hij was vrijgevig als geen ander
Hij was een dief
Van zijn eigen portemonnee; hij zei het liefst
Zou ik geven wat ik had
Maar ik heb enkel luchtkastelen
Ze zei: dat is goed
Maar ze moeten wel
Centraal verwarmd zijn

Hij heeft haar verkeerd begrepen
Zij heeft hem maar half verstaan
Maar wie wil er moeilijkheden
En wat komt het er op aan
Er draait altijd wel een film; de drank staat immers klaar
Kop op
Ze leven heel gelukkig langs elkaar

Er leeft een angsthaas of een wezel
In elk van ons
Die, als hij even maar de kans krijgt, ondergronds
Zich in zoveel bochten wringt
Tot we ophouden met vragen
Naar de zin
Van jaarin
Jaaruit
Dezelfde vrouw

Jij hebt mij verkeerd begrepen
Ik heb jou maar half verstaan
Maar wij laten het in het midden
Om geen figuur te slaan
En we gaan er iets aan doen; zometeen of volgend jaar
Tot zolang
Leven we nog even langs elkaar

Er leeft een angsthaas of een wezel
In elk van ons
Die, als hij even maar de kans krijgt, ondergronds
Zich in zoveel bochten wringt
Tot we ophouden met vragen
Naar de zin
Van jaarin
Jaaruit
Dezelfde vrouw

Of lees voor vrouw, man, of club, of baan of “zelf” of….
Er schuurt hier iets en dat iets is de bijna-suggestie van “duiken of weg”. Van wat ik de “Youp van het Hek-oplossing” noem: “Burgerlul, ga eens leven….Blijven, berusten en niets doen is een soort dood”. Wie de vraag niet onder ogen durft te zien is een wezel of een ezel…

Alsof er leven is zonder dat dat wat blijft gaat knagen en schuren, gaat ergeren, laat zuchten. Alsof er werk is dat alleen maar leuk is, een echtgenoot die nooit verveelt of irriteert, een club die nooit malverseert en nooit iets doet waardoor er een vraagteken achter de clubtrots komt. Alsof een leven mogelijk is met alleen spectaculair gave belevenissen…

Maar toch, waarom onthou ik dan 25 jaar de kern van dit liedje?

Vriend en zus
Het leven op school was af en toe al best spannend als knaapje dat een klas had overgeslagen. Iedereen was op zijn minst een jaar ouder, groter, sterker, beter in sport, meer levenswijs. Mijn vrienden had ik vooral in de straat waar meer leeftijden door elkaar heen speelden. Maar, in de vierde (groep 6 zouden ze nu zeggen) kwam er een jongen in de klas met wie ik veel optrok en waarmee ik soms zelfs bij hem thuis speelde. We werden vrienden.
Aan het einde van dat schooljaar ontdekte een van de oudere kinderen dat mijn naam ook een merk was. Van doperwten en groentesoep, van Perl en Sinas, van jam… En een paar begonnen me ermee te pesten. Na een paar weken werd dat echt aanstekelijk. Ze liepen op het schoolplein tegen me aan en sisten dan “Perl, kan je gvd niet uitkijken” of vergelijkbare dingen, dreigden als het pleintoezicht het niet zag. Mijn kameraad, ook een beetje het type van de geleerde en zeker geen held, zei niets, deed niets, maar deed in ieder geval niet mee. Tot op een donderdagmiddag, na school, ik plotseling zo’n twintig of meer kinderen achter me aan hoorde komen. Ze riepen iets, in koor. “Hero Soep, Chocolade, Limonade, WC achterin… JAM!!!”. Ze haalden me in. Ik bevroor. Vechten was zinloos, ze konden harder hardlopen dan ik. Het enige wat ik kon doen was net doen of het me niets deed en ik niet bang was. Ik liep nog even door, draaide me toen om, haalde mijn schouders op en liep weer door. Hij liep er tussen, mijn kameraad. Bang waarschijnlijk. Ik begreep het wel, maar ik vond dat later misschien wel het ergst. Ze kwamen langzaam dichterbij maar probeerden me niet in te halen. Ik zag de processie al helemaal meelopen naar mijn huis. Ik kreeg ook het gevoel dat het er steeds meer werden. Even later klonk er een boel kabaal. Mijn zus kwam er aan: zwaaiend met een volle knikkerzak aan een touw raasde ze door de groep heen en ging achter me lopen. Ze verdwenen. Mijn zus uit de zesde klas, die nooit met me wou spelen, op me neer keek en veel kribbig deed…

Christine
Peter was een oud-collega van me, die ik de laatste tijd alleen nog in de supermarkt trof. Zijn dochter had ooit op onze kinderen gepast. Een goeie collega. Eerlijk en zachtmoedig. Zijn vrouw heette Christine. In het weekend winkelden ze samen. De laatste keer dat ik hem trof was hij weer alleen.
-Hoe is het?
-Met mij wel aardig, maar ik heb nu Chistine toch moeten laten opnemen. Je hebt het de laatste tijd vast wel gezien. Een beetje afwezig en stram. Ze heeft Alzheimer.
-Is het al zo erg?
-Ja, ze was al nooit de makkelijkste, maar nu soms ronduit agressief. Ze kent bijna niemand meer, ze herkent mij nog maar af en toe. Ze denkt dat haar kinderen haar broers en zussen zijn en vecht soms dingen met ze uit waar die kinderen niets mee te maken hebben. Ze weet soms de weg niet in huis, denkt dat ze niet thuis is en wil weg.
Ik wist niet wat ik terug kon zeggen, legde een hand op zijn schouder en keek luisterend.
-En dan soms, zomaar ineens, is ze poeslief, vlijt zich als vroeger tegen me aan… Maar het was niet houdbaar meer. Ik moest de hele tijd wakker zijn, alert, deuren op slot als ik wou slapen. Het is zo raar, je kunt je vrouw niet meer alleen laten terwijl ze intussen bijna je vrouw niet meer is…
-Jezus Peter, dat moet zwaar zijn.
Hij knikte. Hij slikte, veegde iets uit zijn ooghoek.
-Weet je. We zijn nu vijftig jaar getrouwd en het was af en toe moeilijk. Ik zei al, ze was de makkelijkste niet. Maar elke keer weer als ik met ogen vol woedetranen naar haar keek was er weer zo’n moment dat ik me herinnerde dat ik voelde dat zij het meisje was met wie ik kinderen wou en samen oud wou worden. Dan werd ik wakker na een nacht waarin we het weer eens niet goed konden maken, dan zag ik die bos zwarte krullen op het kussen of op mijn schouder naast me en dan voelde ik me vollopen. Het verschil tussen toen en nu, is dat het geen woedetranen zijn, maar verdriettranen. Maar goedmaken kunnen we het niet. Ze snapt niks meer. Het gebeurde vroeger af en toe, nu bijna dagelijks. Maar nog steeds als ik wakker word en haar naast me zie liggen, en die kinderen zijn er en we zijn samen oud geworden, nog steeds voel ik me vollopen weet je jongen. Dat gaat niet over. Of toch, ik word niet meer met haar naast me wakker. Ze zit in dat verpleeghuis. Die stille momenten van vergetelheid en troost zijn nu ook weg. En ja dan is een versleten knie een kleinigheid he.
Dat is een moment dat je je armen om een man heenslaat, toch? En toen wou hij ook nog weten hoe het met mij ging, en de kinderen….

Ontslag
Toen ik in 1971 in Enschede kwam werken was de textielcrisis net over zijn hoogtepunt heen, maar nog sterk zichtbaar. Er lagen in en om het centrum 80 hectare textielfabrieken die leegstonden en in verval waren. Meer dan de helft van de beroepsbevolking (23.000 van de rond 45.000) was zijn/haar baan kwijtgeraakt en gedeeltelijk vervangend aan het werk maar erg veel cynisch in de uitkeringen terecht gekomen. Veel textielarbeiders met geen of weinig opleiding en met stoflongen zaten in de WAO of in de sociale werkvoorziening. Als er ergens een plek in Nederland was waar het adagium opging dat de overheid tot taak had het zwakke te beschermen en te steunen en tegelijkertijd de kracht van het sterke te versterken, zodat er vervangende werkgelegenheid kwam, de hoop kon terugkeren, was het hier. Ik verbond me. En er is veel gebeurd. Er is veel nieuw werk. Er zijn 30.000 inwoners meer. Het centrum is sterk. Geknokt hebben we. Soms gewonnen, ook veel verloren. Na de oliecrisis verzwakte de overheid. De gemeente Enschede kon de rol die ze in de wederopstanding van de stad wou spelen financieel niet meer volhouden. 9 jaar stond de gemeente onder curatele. We worstelden ons eruit. En toen groeide de generatie bestuurders die met dit historisch besef stuurden er een beetje uit. We gingen proberen een grotere gemeente te worden als alle andere grotere gemeenten. Er kwam iets in gang dat het nieuwe overheidsmanagement ging heten. Dat koeler was, afstandelijker. Meer over verantwoording afleggen ging. Niet over oplossen van de problemen van de stad, maar het ging steeds vaker over een goede gemeente worden. De inhoudelijke verbinding werd losser. De manier waarop ik me had verbonden begon een belemmering te vormen. De spanning steeg. Of er iemand meer of minder gelijk had doet er dan minder toe. Het “ik verbond me” kwam steeds meer onder druk. Natuurlijk. Het is leuk en spannend om mee te doen met modernisering, mee voorop te lopen en ik heb een tijdje geprobeerd om de oude verbinding mede te vernieuwen in de vernieuwing die plaatsvond. Maar het lukte niet. De angsthaas was er, de wezel ook, en toch jaar in jaar uit, nee. Ik nam ontslag.
Een paar jaar later was ik consultant bij KPMG. Een organisatie die als tot op het bot gemeend adagium had dat de klant het beste moest krijgen dat we voor de klant konden organiseren, ook als dat met concurrerende bedrijven moest zijn. En ook, dat een medewerker die ruimte krijgt voor persoonlijke groei en uitdaging meer voor een klant kan betekenen dan iemand die leunt op routine. Ik verbond me. En als ik nou ergens in een paar jaar tijd veel heb geleerd was het hier. En toen kwam het moment dat de leiding wisselde, maar ook dat de verbinding tussen accountants en consultants moest worden doorgesneden. KPMG zette zijn consultancypoot in de etalage en dat was het moment dat plotseling die oude waarden overboord gingen. Plotseling werd omzet en winst veel belangrijker. Plotseling kon de prijs die voor de consultancytak mogelijk was het belangrijkste ijkpunt worden in het kompas van het bedrijf. Plotseling verschrompelde dat waaraan ik me had verbonden. Ik heb het nog een jaar geprobeerd. Interne opleidingen opgezet over vernieuwing van consultancy met dialoog, gepraat als Brugman….
Voor de tweede keer nam ik ontslag. Zonder vervangend inkomen. Met schulden (hypotheek en zo) en een gezin dat van mijn inkomen afhankelijk was.
Wat gebeurt er als “ik verbond me” zijn betekenis kwijtraakt? Ja ik heb me in bochten gewrongen, maar toch…

Mezelf
Je zou bijna zeggen dat ik met die twee ontslagbewegingen vooral mezelf was trouw gebleven. Maar is dat wel zo? Wie ben ik dan? Ik denk en schrijf wel eens dat wat ik “ik” noem, niet meer is dan het touwtje om alles wat al die anderen in mijn leven me hebben geleerd, voorgeleefd, verteld, hebben laten meemaken. dat betekent in ieder geval dat er twee “ikken” zijn. Eén ik die iets leert en meemaakt en daarmee iets “moet” en doet. Eén ik dus die midden in het slagveld staat en daar zijn beslissingen neemt. Eén ik die de leuzen roepende meute achter zich hoort en uiteindelijk besluit onverschillig en stoer te doen en bevrijd moet worden door zijn zus. En een andere ik die daar later iets van vindt, die verbanden legt met wat hij met andere vrienden meemaakte, of op andere momenten met zijn zus en ouders. Er is een ik die meemaakt en handelt en een ik die een verhaal vertelt. Dat zijn er twee. En misschien is er nog wel één. Een ik die kritisch naar zo’n verhaal kijkt en roept dat de verhalenverteller wel eens wat kritischer of milder zou kunnen zijn, of ziet dat de “ik” die uit het verhaal voortkomt niet erg overeenkomt, niet consistent is, met hoe hij in feite handelt. Als ik “mezelf trouw moet zijn”, wie ben ik dan trouw? Die ik die ervaart en handelt? Die ik die er een kloppend verhaal van maakt of die ik die vindt dat ik wel eens wat meer afstand mag nemen, strenger of milder mag zijn? Als ik eerlijk ben denk ik het vaakst dat de “ik” waaraan ik trouw zou kunnen zijn het ikje is dat het sluitende verhaal vertelt en dus het meest waarschijnlijk het ikje dat niet klopt, maar (achteraf) kloppend wordt gemaakt. De verhalenverteller is nooit angsthaas of wezel. Degene die (niet) handelt wel, degene die kritisch naar de verhalen kijkt kan de angsthaas zien… Hoe ik het ook wend of keer, feitelijk volg ik het meest de verhalenverteller, de goedprater. Alleen in dit soort blogs…

De bioloog
Er zijn twee soorten monogame dieren, zei een bioloog me ooit. Een waarvan het duidelijk is dat het evolutionair onvermijdelijk is, zoals de mens, die twintig jaar voor zijn jongen moet zorgen voor ze de wereld in kunnen trekken (en als ie meerdere jongen maakt over meer dan tien jaar, moet hij dus meer dan 30 jaar trouw zijn). Als het dan ook nog kuddedieren zijn, zoals weer mensen, zijn ze ook nog eens trouw aan de groep waarin ze leven en waarin ze dezelfde taal spreken. Er zijn ook dieren waarvan we het moeilijker kunnen verklaren, zoals raven. Die tientallen jaren bij elkaar blijven. Tientallen nesten grootbrengen, terwijl de meeste vogelparen per nest trouw zijn lijken die beesten zich als het ware bewust van het feit dat ze met die ene partner samen hun DNA willen verspreiden. Eigenlijk moet ik constateren, zei de bioloog, dat de mens iets van beide diersoorten heeft en ook nog kuddedier is. Dan is “trouw” nauwelijks een keuze, maar een genetisch opgelegd patroon. Gelukkig zijn er uitzonderingen genoeg en kunnen we af en toe trots zijn dat we onszelf als diersoort zijn trouw gebleven…

de Profeet (Kahlil Gibran)

Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en dochters van ’s levens
hunkering naar zichzelf.
Zij komen door je, maar zijn niet van je,
en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.
Je mag hen je liefde geven, maar niet je gedachten,
want zij hebben hun eigen gedachten.
Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen,
want hun zielen toeven in het huis van morgen,
dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.
Je mag proberen hun gelijk te worden, maar tracht niet
hen aan jou gelijk te maken.
Want het leven gaat niet terug, noch blijft het dralen bij gisteren.
Jullie zijn de bogen, waarmee je kinderen als levende pijlen
worden weggeschoten.
De boogschutter ziet het doel op de weg van het oneindige,
en hij buigt je met zijn kracht, opdat zijn pijlen
snel en ver zullen vliegen.
Laat het gebogen worden door de hand van de boogschutter
een vreugde voor je zijn:
want zoals hij de vliegende pijl liefheeft,
zo mint hij ook de boog die standvastig is.
Kahlil Gibran (1883-1931) uit: De Profeet

Is trouw dan “laten gaan”? Je beperking weten en en weten dat schoonheid niet alleen is in het oog van de toeschouwer, maar ook in de beperking?

Op je ouwe dag: rebel without a cause
Zo lang je werkt en maatschappelijk actief bent, heb je doelen, targets. Strijd je voor het voortbestaan van je bedrijf, zet je je in voor de vluchteling of de kunst, voor de kwaliteit van de zorg, de voetbaljeugd van je club of tegen de plofkip. En dan gaan de dingen lang niet altijd zoals je wilt. Dan gaat het net als in een huwelijk, in voor- en tegenspoed. Je roeit met de riemen die je hebt. Dat is leven toch? De soldaat moet het doen met het terrein waar hij zit en de wapens die hij heeft. De generaal heeft het verhaal, de soldaat schiet, of niet.
Toen ik stopte met werken verdwenen veel van die doelen, die targets. Er waren geen generaals meer die een strijdperk voor me regelden. Schieten hoefde niet meer. Wat bleef waren de reflexen. Alsof het leven alleen zin had in dat strijdperk, als ik een zaak had om voor te vechten, een zaak die, als het niet mijn eigen zaak was, ik me eigen maakte. “Ik verbond me”. Alsof ik het voor mijn ‘zinvol zijn’ nodig had dat men op me zat te wachten. Ja Kahlil, wie eens pijl was of boog is geweest, wil dat onbewust blijven. Als de soldaat geen zaak meer heeft, de rebel geen ‘cause’, wie is hij dan nog? Als er weinig over is om trouw aan te zijn, blijft er dan ook weinig van ons over?
Wat ontstaat is een soort vrijheid en leegte die er om schreeuwt om gevuld te raken en in het begin weet the rebel without a cause niet veel anders dan de oude manier. Je kunt zelfs aardig depressief raken als men je te oud vindt om lid te worden van een leuk bestuur. Mijn tijd lijkt voorbij, roept de depressieve verhalenverteller in me dan. Maar is je tijd ooit voorbij zolang je er nog bent?
Laatst definieerde ik deze overgang als de overgang van een zoektocht naar een ontdekkingsreis. Wie zoekt mist veel. Leven is dat wat onopgemerkt aan je voorbijgaat als je iets zoekt, een doel, nut, de volgende coole belevenis. Wie ontdekt stopt met rennen en ademt het leven in… Hoe meer vrijheid en ontdekken, hoe minder trouw aan wat van buiten kwam en hoe meer kans er is om te voelen wie het is die daar loopt te ontdekken en hoe die zich echt verhoudt tot het leven: Pijl noch boog (noch schutter? Of juist schutter?), maar “lever”….

“Ik wil eigenlijk nergens bijhoren”
Claudia de Breij, de laatste zomergast, zei dat. Ze wil wel overal welkom zijn, zich nergens onveilig voelen, niet opvallen door te expressieve identiteitsuitingen, maar als mensen haar zeggen “maar je bent er toch een van ons” wordt ze opstandig. Ik vroeg me af aren’t we all in a way? Is dat wat de mens als kuddedier uniek maakt? De veilige wetenschap dat opgenomen zijn in je nest, je clan, je kudde, je taalgebied, je nationaliteit je de mogelijkheid geeft om je vrij te bewegen, niet steeds op je hoede te hoeven zijn, niet steeds overal over na te hoeven denken. En anderzijds het in je hebben van die verhalenverteller die afstand neemt, glimlachend kijkt naar het gewriemel in je nest, je kudde. Glimlachend of beangstigend kritisch kijkt naar jouw gefriemel in dat nest…. Die verhalenverteller die het verschil ziet tussen trouw als lichte vanzelfsprekendheid en trouw als last, plicht bijna, uitdaging, zwaarte. En die van tijd tot tijd Ho roept, “ik heb al genoeg om trouw aan te zijn, solidair mee te zijn. Ik heb genoeg slagvelden en generaals”.
Wat is het dan heerlijk om a rebel without a cause te zijn en je over steeds meer te verwonderen….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *