Het einde van ons politieke bestel? Wittgenstein, de valkuil van de taal

Taal is een belangrijk instrument in het denken, maar, mede daardoor, ook een belangrijke belemmering. Ik heb me in deze columns al eerder druk gemaakt over de vraag hoeveel we begrijpen van ons denken en waarom er dan ook zoveel in fout gaat. Kort samengevat:
1. Het gebeurt voor een groot deel onbewust en is meer zoeken in herinneringen dan een creatief proces, zonder dat we dat in de gaten hebben. De kwaliteit van ons denken wordt daardoor bepaald door “de objectiviteit van ons geheugen” en dan moet ik veel mensen ernstig teleurstellen.
2. Het is vrijwel volledig gebaseerd op het in de evolutie bij de amfibieën ontstane vermogen om te denken vanuit een schematisch zelfbeeld en een schematisch beeld van de omgeving, die ook nog eens sterk met elkaar verband houden. Vrijwel alles wat we snappen van maten, snelheid, donker, licht, verhoudingen, gevaar aantrekkingskracht, etc. is hierop gebaseerd. Vrijwel de gehele ontwikkeling van het brein en het vermogen tot denken, inleven in anderen, communiceren, strategievorming, etc, is gecentreerd rond dit oude, in het “reptielenbrein” gesitueerde stukje hersens. Boeddhisten noemen dit dualiteit. We kunnen niet of uiterst moeizaam, om onszelf, ons zelfbeeld, heendenken.
3. We hebben nauwelijks invloed op hoe we denken. Waaraan, een beetje. Geef iemand een puzzel en hij/zij concentreert zich en denkt er een tijdje aan. Laat m een tijdje met rust en de vraag wat hij ook weer daarna aan boodschappen moet doen, wat zij nog moet regelen met haar zus, de angst dat die pijn in de knie chronisch wordt, noem het, komt terug en laat zich maar moeilijk wegdrukken. Wie gaat mediteren verbaast zich in het begin over de immense hoeveelheid flarden die bijna oncontroleerbaar langstrekken in het brein dat tot rust zou behoren te komen in stilte zittend op je kussen. Maar invloed op de aard van denkprocesssen hebben we nauwelijks.

Wittgenstein heeft zich tussen de twee wereldoorlogen druk gemaakt over de rol van de taal als valkuil in de logica. Het begint met hoe een kind een taal leert, maar ook volwassenen in een vreemd land, leren het zo. Het begint met het aanwijzen van dingen en het noemen van het woord dat erbij hoort. ‘Tafel’ zeg jij, wijzend, “Tisch” de duitse buurman. Mensen, honden, hebben niet alleen de naam “mens” en “hond” maar ook Jan en Pluto. In het leren van een taal staan zelfstandige naamwoorden, objecten, centraal. Het woord gaat in het betekenisgevend brein de relatie tussen jou en de tafel vervangen door de abstractere en meer samengestelde en gelaagde relatie tussen jou en het woord tafel. Een tafel wordt zo niet alleen een concreet object, het is in het verlengde daarvan, in de manier waarop het brein met die schematische beelden werkt, ook een complexe set aan herinneringen van de verhouding tussen jou en tafels in het algemeen. Nou is daar zolang het om echte objecten en echte mensen gaat helemaal niet zoveel mis mee. Geen probleem. Maar als vervolgens de ontwikkeling van taal, de manier waarop we zinnen vormen en gedachten overbrengen, voornamelijk wordt gekleurd door woorden die zowel een kategorie objecten als een wereld aan complexe relaties tot die objecten inhouden wordt het al moeilijker. Zo is er een wolk aan potentiële betekenissen gekoppeld aan het zelfstandig naamwoord “vluchteling”, van extreme islam, testosteronbom, gelukzoeker, banenverdringer, etc, tot verdrinkend hongerend kind, aanwinst voor de economie, getraumatiseerd slachtoffer van vijandige bombardementen, je oude Hongaarse buurman,etc. Moeilijker om de ander te begrijpen, als je zelf al helemaal snapt wat je precies met die hele complexe wolk van betekenissen bedoelt als je een zin uitspreekt als “ze zaten om de tafel”. Muggenziften dacht je? Nou, nog moeilijker wordt het als het om iets gaat dat geen object is. Neem het begrip “Nu”.

Nu is geen voorwerp. Het heeft geen grens, geen exactheid. Je kunt je er ook nauwelijks al denkend toe verhouden. Uit hoeveel “nu’s” bestaat het uitspreken van het woordje? We doen er een kwart seconde over. Verstappen heeft in die tijd heel wat meters gereden. ‘Nu’ verdwijnt in het verleden, zodra het voorbij is…. Hoezo voorbij? Het is toch altijd ‘nu’? En wat is verleden? Verwaarloosbare onomkeerbaarheid zoals wij in het westen denken of de basis die onze voorouders, op wiens schouders wij nu staan, in hun tijd hebben gelegd, zoals oosterse volken vaak denken? En Wat maakt dat Toekomst, die niet beïnvloedbaar is, behalve door onze plannen, verandert in een ‘nu’, een heden? Kan je ook zeggen dat als je je staat voor te bereiden als sprinter op de 100 meter die je over 3 minuten gaat lopen, dat die sprint dan ook al ‘nu’ is? En als je tobt over de goal die je als keeper doorliet, gisteren, is dat stukje ‘gisteren’ dan ook nu? Het probleem is dat dat dualistische denken, door het “ik” heen, gestuurd en gestoeld op zelfstandige voornaamwoorden, niet uit de voeten kan met vage vloeibare niet bestaande dingen als denkbeelden. Dat geldt voor ons hele begrip van tijd, dat we zowel meten als hanteren als in “de tijd is rijp om…” en terugkeert in ons steeds gebrekkiger omgang met ouder worden. Maar erger nog wordt het als het gaat om mooi of eng, goed of slecht, om zielig of bedreigend, om “vrijheid” en “rechten”. En dat als je er dan aan gaat denken, dat er dan behoefte groeit aan begrenzingen, waar houdt verleden op, begint nu en gaat het over in toekomst. Waarin onderscheidt nu zich van straks, zoals een stoel van een tafel en een hond van een kat en Jan van Piet? In de filosofie ontstonden hele discoursen of dingen wel echt bestonden, of er niet een heel ideeënrijk was waarin ideeën in hun zuivere vorm bestaan en waaraan wij af en toe mogen snuffelen… Allemaal geen punt, als het gaat om filosofen en mediterenden. Wittgenstein toonde aan dat vrijwel elke zin in een redenering hierdoor een vat vol misverstanden kan zijn. Maar wie de discussie over Europa volgt, of over islam, of de strijd tussen Trump en mevrouw Clinton, ziet dat het in de strijd die politieke strijd heet precies gaat om die vloeiende dingen, over goed en kwaad, over de rechtvaardiging van een oorlog, of de rechtvaardiging van een vlucht uit een land dat je voor je kinderen als uitzichtloos ervaart, of om hoe lang mensen boos mogen blijven om voorouders die slaaf zijn geweest. En of dat gevolgen mag hebben voor Zwarte Piet. Hoeveel van ons koloniale verleden is nog “nu” in ons gedrag? Is het eigen hol veiliger dan een open wereld? Wat is veilig? Wat is veiligheid als dat een concentratiekamp-achtig tentenkamp in Calais of bij de Griekse grens rechtvaardigt? Uh rechtvaardigt welke definitie van veiligheid dan ook zoiets ooit? Mogen we dat even meten en wegen en bepalen?

Wat ik er nog spannender aan vind, is dat in deze theorie “denken” zou leiden tot de behoefte aan afgrenzingen, onderscheidingen en definities, cijfers en redelijke helderheid en je jezelf mag afvragen of we daarmee de vraag voldoende recht doen waarmee het denken is gestart en tegelijkertijd… herken ik bij mezelf een boel ergernis over de mate waarin politiek factfree wordt, waarin politici kunnen roepen dat het volk de experts, de denkers, de scherpe begrippen-hanteerders beu is. Er zit kennelijk spanning tussen de manier waarop ook mijn brein in onnadenkende staat omgaat met hoe de wereld bij me binnenkomt en wat ik ervan ga vinden als ik een tijdje nadenk. Kennelijk schieten denkers, politici en schrijvende pers tekort om die spanning hanteerbaar te maken.

Misschien lopen we daarom wel langzaam aan tegen de vermolmde grenzen van het huidige politieke bestel. Politieke boodschappen raken onvoldoende in balans met de reacties die ons schematische zelfbeeld en wereldbeeld vertonen op de prikkels uit de samenleving. Maar bot breken met je partners, mannetjesgedrag, grenzen dicht, kinderen laten verzuipen, dat kunnen we ook niet. We krijgen spijt van onze Brexitstem als verwarde kiezer in een referendum dat problemen terugbrengt tot ja en nee. Misschien lopen we niet op tegen de domheid van Trump en zijn deplorable, beklagenswaardige kiezers, maar lopen we op tegen de onmacht van ons denken en de vertaling ervan in politieke systemen en processen. Tegen de gelijktijdige domheid en slimheid van campagnes die volledig steunen op “frames” als ‘criminele marokkaan’ of ‘onze waarden’. Slim omdat ze handig gebruik maken van de valkuil van de taal, dom, omdat ze een verdeeldheid scheppen die zijn eigen dynamiek krijgt en zich tegen politieke elites keert….

Ik kom er vast op terug ooit weer eens. In ieder geval heb ik sterk de aandrang om die zwerfkater uit mijn tuin te verjagen. Eigen katten eerst. Of uh…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *