Heeft de politiek nog toekomst?

De politiek verandert in ieder geval van karakter. Ik begrijp lang niet alles, maar er beweegt van alles en de voorspelbaarheid lijkt af te nemen. Een handvol soms onderling op het eerste en misschien ook tweede gezicht strijdige bewegingen:

1. Besturen wordt technocratischer. Draghi heeft meer invloed op de Europese economie dan de Europese ministers gezamenlijk en die weer dan elke regering apart die zich aan de Europese regels moet houden. Nationale politici praten erg veel over economie terwijl ze er steeds minder over te zeggen hebben. Nederland komt om in het geld van het handelsoverschot, de spanning tussen het arme zuiden en het rijker wordende noorden in Europa neemt door die verschillen in handelsoverschotten steeds meer toe en toch mogen in Nederland de lonen niet omhoog (waardoor dat handelsoverschot daalt) omdat er zich dan een stijging van het begrotingstekort zou kunnen voordoen. We verliezen onze autonomie aan niet-gekozen officials en de druk op meer “unie” om de Euro te redden neemt toe en dus meer niet-gekozen officials aan het roer.
2. Veel politiek lijkt te gaan over houding en gedrag, over imago, over ethiek en verontwaardiging en steeds minder over inhoud en problemen. We nemen een Bed-bad-brood-en-Burka-besluit vanwege de sterke symboolwaarde voor één van de coalitiepartijen en niet omdat het veel oplost. Die emotionele kant van de politiek gaat over politici tegenwoordig en over misstanden en ongelukken. Vroeger zaten de emoties vast aan visie, aan politieke uitgangspunten. Nu lijkt de pers vaker de agenda te bepalen en ook de defensieve reacties te kleuren dan de ambities van partijen en gekozenen
3. Politieke partijen versplinteren en verliezen hun vaste aanhang, op de kleine christelijke partijen na dan. Het was te verwachten na de ontzuiling, na de ontkerkelijking, het uit elkaar vallen van christelijke organisatiestructuren, die werden gekopieerd door links. De kinderen (wij zelfstandige en zelfverantwoordelijke burgers) werden groot en die maatschappelijke families vallen uit elkaar. Dat betekent kiezers op drift, maar waarheen?
4. In die versplinterde individualistischer wordende wereld, waar veel veiligheid biedende verbanden met de zuilen zijn mee-verkruimeld lijken kiezers steeds vaker uit ongerustheid en wrok tegen wat teloor is gegaan te handelen. Ze blijven weg bij verkiezingen, ze stemmen op partijen die zoveel mogelijk bij het oude willen laten en niets willen veranderen (conservatieve partijen groeien in heel Europa), ze stemmen op partijen die de natiestaat weer in het centrum willen (PVV, UKIP, grenzen dicht, weg met de euro, weg met de EU, weg met Griekenland). De versplintering treedt bijna overal op. Zelfs in landen als Duitsland en Engeland met twee of hoogstens drie partijen die er toe deden groeit het aantal fracties. Ik hoorde mevrouw Barth (de Samsom van de 1e kamer) uitleggen dat wegblijven bij verkiezingen een vorm van partijliefde is. Je wacht tot je weer meer reden hebt om op je partij te stemmen (sic met een sterretje). Ik vermoed dat de politiek zich niet alleen heeft vervreemd van de man in de straat, de man in de straat denkt “ze zoeken het maar uit” en trekt zich terug van de politiek. De kloof, als ie er is en groeit, en dat doet ie volgens mij, is geheel wederzijds
5. In dat versplinterde en verder door-versplinterende landschap is het vormen van regeringen een crime. En na het vormen ervan is het doorregeren nog moeilijker. Steun voor het beleid wordt onvoorspelbaar. De gelegenheidscoalities, al dan niet op basis van constructieve oppositie, gedoogsteun of wat ook, worden ook door die breedte van het palet steeds minder ideologisch en steeds meer pragmatisch en technocratisch. Handhaven van de coalitie wordt belangrijker dan de oorspronkelijke afspraken. Het uitleggen van het resultaat ervan aan achterbannen wordt dus ook steeds moeilijker omdat “de lijn” steeds waziger wordt. Het is opvallend dat een partij als de VVD die nooit veel van staatsrechtelijke hervormingen moest hebben de laatste tijd spreekt over het afschaffen van de eerste kamer en het invoeren van hogere kiesdrempels. Als je niet meer steun krijgt van de kiezer voor je beleid en je coalitie, dan zorg je dat de dissidente kiezer je niet meer zo kan dwarszitten.
6. Plucheplakkers, dat was een uitspraak van vroeger. Pluche plakt dus niet meer zo. Het kan maar zo gebeurd wezen met je coalitie en politieke carrière. Door dat onvoorspelbare, lijkt ook iets te ontstaan dat ik maar even “de arrogantie van de haast” noem. Ik vermoed dat het niet eens gaat om minachting voor de uitvoeringsproblemen, men heeft als politicus en zeker de carrièrepoliticus die nog nooit iets anders heeft gedaan dan debatteren, er gewoon geen kijk op. Men vindt dat men er ook niet zo erg over gaat. De samenleving mag dan niet meer maakbaar zijn, met al die briljante managers moet de uitvoering en de uitvoerende organisatie maar maakbaar zijn in het tempo dat de moeizaam onderhandelende politici uiteindelijk hebben vastgelegd. Collateral damage dat zijn dan de bejaarden zonder hulp en de hulpverleners zonder baan of salaris. De basisidee was goed en democratisch gesteund immers? Kinderen met een vlekje die tussen wal en schip vallen door bezuinigingen en bij gebrek aan op hen afgestemd onderwijs… geduld, dat soort dingen moet zich settelen. We moeten op tijd hebben bezuinigd en de staatsschuld hebben teruggebracht en dus moet het moeizame politieke compromis zonder tegenspraak en hals over kop worden ingevoerd. En er lijkt nog wat aan de hand… door de druk op verantwoording en bijstuurbaarheid wordt elk stukje met de linkerhand gegeven ruimte voor vrijheid en experiment met de rechterhand gevat in regels, procedures en standaards. Dat leidt tot een geweldige toename van bureaucratie, waardoor de logheid van de organisatie en haar takenpakket ook alleen maar toeneemt. Volgens sommige organisatietheoretici verzandt uiteindelijk elk goed idee, elke innovatie in standaardisatie, protocollisering en vastlegging van een boel variabelen in nauwelijks geraadpleegde spreeadsheets. Een soort organisatie-entropie, veroorzaakt door beheersingsbehoefte en angst voor het afwijkende. De politici die willen bijsturen ergeren zich aan de inherente traagheid die door hun eigen eisen is ontstaan en gaan zich meer dwingend opstellen. Dat leidt tot arrogantie: Gij, ambtenaar en werknemer bij door ons betaalde NGO, zal doen wat wij bepalen, want wij hebben de democratische legitimatie die gij ontbeert”. Arrogantie dus, van iemand die in de spiegel kijkt en zijn eigen tweede gezicht niet herkent.

Maar waar gaan we nou heen? Wat ontstaat er nou? Gaat het oude politieke bedrijf dood, gaat het heel anders werken, of gaat het straks ergens anders over dan vroeger?
Ik vermoed dat er een paar dingen zichtbaar zijn:
a. De helft van ons nationale inkomen loopt via de overheid. De overheid doet erg veel heel belangrijke dingen die ons als burger niet of weinig interesseren zo lang het maar goed gaat. Dat is een wereld die bestuurd moet worden en waarin belangrijke keuzes moeten worden gemaakt, steeds weer. Er zal dus een mechanisme blijven dat politici en bestuurders rekruteert en opleidt, en afrekent als het slecht gaat. Politiek en de partijen zullen blijven en we zullen maatregelen nemen om die politiek voldoende sterk te maken om te kunnen sturen en beslissen. Kiesdrempels, gedeeltelijk districtenstelsel, democratiseren van Europa. Afschaffen of rechtstreeks kiezen van de 1e kamer, schaalvergroting bij gemeenten en provincies, whatever er zal iets veranderen dat de toenemende ineffectiviteit keert.
b. Wat burgers zelf erg belangrijk vinden in het sociale domein, de vernieuwing, hun idealen rond milieu en energie, hun solidariteitsgevoelens, ze zullen het in toenemende mate zelf gaan organiseren. Daarbij zullen ze af en toe verschrikkelijk en gedeeltelijk onbedoeld worden tegengewerkt door de regels van de overheid, maar de overheid zal zich waarschijnlijk langzaam verder uit dit “welzijnsveld” terugtrekken. Maar nooit helemaal. Het zou me niet verbazen als deze tendens tot vereenzaming en ellende leidt in de grote steden in de buurten waar de yuppen niet wonen. Er zullen vangnetten nodig zijn.
c. Mijn vermoeden is dat de belangstelling voor politiek verder zal afnemen (en dat dit tij pas kan worden gekeerd door een nog veel grotere crisis (waarvan je dus hoopt dat die zich niet zal voordoen)). Politiek als een soort desem dat de hele maatschappij doortrekt, dat onze ethiek stuurt en ons idee over wat vrijheid is en rechten zijn is voorbij, het wordt een maatschappelijk domein naast de economie, de kunst, de vrije tijd. Een domein waarvoor je iets gestoords moet hebben om het belangrijk te blijven vinden, een domein ook dat zo complex is dat het een vrijwel gesloten domein wordt van carrièrepolitici en carrièrejournalisten, zoals er meer domeinen zijn, zoals het bankwezen, of de krijgsmacht. En dat versterkt weer de afname van de interesse van de kiezer. Ik vermoed dat alle al dan niet gewenste vreemdelingen, uit landen waar democratie niet vanzelfsprekend is en rechten er zijn om met voeten te worden getreden, zich verschrikkelijk verbazen over deze politieke apathie, dat gebrek aan moed om via politiek te bouwen aan een betere samenleving. Wie weet draagt dat wat bij aan een revival?

En er is vast meer dat zich schoorvoetend aandient….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *