Van Ginnungagap naar Rangarök

De weg van niets naar niets is lang en kronkelig. De bewoners van de wereld, de goden en hun halfgoden, verwekt bij reuzen, wolven of wat ook wordt voller en pijnlijker. De goden worden bang en bouwen hagen om hun stad en land waarachter ze blijven feestvieren. Goden, ze zijn bang en maken bang. Ze hebben geen invloed op hun eigen leven, het ene vloeit uit het andere voort. Wat ze doen heeft gevolgen voor alles maar ze leren niet. Op een enkeling na dan, die door zijn grensoverschrijdend gedrag de goden steeds dichter bij hun ondergang brengt, hun laatste oordeel, hun Götterdämmerung zoals Wagner het noemde, Rangarök zoals ze het zelf noemden in hun taal, schemering van of oordeel over de goden, en ze wisten dat het daarop zou uitdraaien.

Die goden, ze zijn lui en zelfgenoegzaam, ze houden van feestvieren en jagen, ze zijn gek op het goud dat de dwergen uit de bergen sleutelen, ze zijn hebzuchtig en competitief. Ze zijn nieuwsgierig soms en dan gevoelloos en bereid om experimenten te doen met veel slachtoffers (Loki). Ze zijn agressief, sterk en gewelddadig zoals Thor. Ze hullen zich in verdriet en willen de wereld naar hun hand zetten. Ze krijgen kinderen die als wolven en slangen moorddadig rondzwerven, alles dodend wat hen voor de bek komt omdat het leuk is en die door hen gebaarde monsters groeien, ze omspannen de aarde en putten haar uit. En uiteindelijk wordt de aarde, de wereld van de goden, vernietigd, door de aarde zelf, de natuur, die een winter schept die jaren duurt. Een winter die honger en razernij brengt onder de levende wezens, die elkaar uitmoorden, elkaars voorraden verorberen en uiteindelijk elkaar. Wat er over blijft moordt elkaar uiteindelijk in diepe extreem gewelddadige tweestrijden uit. Het goed en het kwaad vernietigen elkaar als tegenpolen in verschillende gedaanten telkens tegelijk. Als alles is uitgeraasd is er een nieuw niets, Geen Ginnungagap vol nieuwe potentie, nee, een uitgeraasd niets alsof de goden de tweede wet van de thermodynamica kenden, uiteindelijk is de laatste staat der dingen stilstand, geen chaos, maar entropie. Alles valt uit elkaar in een gelijkmatige stille soep. (Er zijn christelijke varianten die toch een nieuw begin maken, Snorri, die in IJsland de Edda optekende was waarschijnlijk al gekerstend voor hij ging schrijven. Die laat uit de soep de wereld van de mensen ontstaan. De oudere overblijfselen eindigen wel met de entropische soep)

Mijn Ginnungagap-blog maakte van het eerste stukje van dit verhaal -bijv de Edda- een soort coming-of-age-verhaal. Alsof dat geen vloeken in de kerk is (die er uiteraard ten onrechte in werd geprojecteerd). Ik vraag me dat af. Mythen en sagen zijn verhalen over goden en goden zijn projecties van ons. We kunnen niet anders want al zijn ze onder ons, we kunnen niet meer dan projecteren. En waarom zouden de verhalen die werden bedacht om te beschrijven hoe de wereld ontstond en uiteindelijk weer zou ondergaan geen projectie zijn van het weinige dat we van ons eigen leven kennen en begrijpen? Sprookjes zijn verhalen over mensen (in soms wat vreemde omgeving ok) die wat leren en jou wat leren. Sagen zijn verhalen over hoe het is, over de onwrikbaarheid in de dynamiek van alles. De goden hebben geen psychologische diepten. Er is nauwelijks innerlijke strijd omdat ze vaak eendimensionaal zijn. Ik heb ze in mijn verhaaltje over het begin daarom geweerd en ik heb mijn verhaaltje een verhaal gemaakt van een mens die goed en kwaad, agressie en angst, schuld en onschuld, gevoelloosheid en liefde allemaal zijn lijf en leven voelde binnenkomen het daar een plaats moest geven en moest zoeken naar het kind dat zich zo goed in die paradijselijke staat thuis voelde en daar nog steeds bij kon in de natuur.

Het is de vraag of je deze sagen somber en zuur moet noemen. Mijn Ginnungagap was dat zeker niet. Als een kind al in een soort paradijselijke roes leeft (wat ik me soms graag voorstel en dan meen te herinneren) is dat nooit lang en altijd komt de ingewikkeldheid van het leven ergens binnen. En blijft dan ook binnen. Het tweede deel van de sagen als de Edda heeft in mijn ogen meer weg van een politiek manifest en preek. Dat is minder ontwikkelingspsychologie dan het eerste. Dan gaat het over de vraag wat je kapot maakt met gevoelloosheid, agressie, vernielzucht, ongeïnteresseerdheid voor de gevolgen van je handelen. Dan gaat het over hebzucht en ijdelheid en je bewustzijn verdrinken in feesten en vertier. Dan wordt de luisteraar naar de sage voorgehouden dat dit gedrag de wereld vernietigt met jou erin, dat er uiteindelijk geen heldendom is, omdat de elkaar bestrijdende partijen samen sterven en in de groeiende entropie oplossen.

Doe ermee wat je wilt, met deze boodschap. Als je de ogen sluit voor milieu, armoede, seksuele en religieuze onderdrukking in de wereld en liever doorconsumeert en doorfeest bevat zo’n verhaal niets voor jou, dan heb en wil je geen invloed meer op de loop der geschiedenis. En ik vrees voor de mens die te zwaar op de hand is en overal onder gebukt gaat, hij had dit beter niet gelezen. Hetzelfde geldt voor de mens die gelooft dat de wetenschap die een sonde op een rotsblok kan zetten ter grootte van de binnenstad van Amsterdam op jaren vliegen afstand van de aarde, onze milieu- en agressie-problemen zal oplossen. Wat die mythen en sagen deden was mensen -die misschien van die goden afstammen- laten zien dat zij in tegenstelling tot de goden wel innerlijke strijd kennen en daarom keuzeruimte hebben. Dat er minder onvermijdelijkheid zit in de manier waarop dingen aflopen dan in de sagen wordt gesuggereerd. Maar de Edda laat in ieder geval zien dat godenzonen die hun kop in het zand steken en blijven zuipen en zwijnen braden uiteindelijk te laat zullen zijn als de gevolgen van hun gedrag onverdraaglijk worden. Dat is toch een vrolijk einde, toch ? Of niet ? Dat je het kan zien aan komen en wat doen? Als je je paradijsje maar levend houdt en terugvindbaar houdt en je daardoor af en toe een beetje laat inspireren….?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *