Ginnungagap

Ginnungagap heette de plek waar alles begon, waar alleen een soort niets was*. Een niets omgrensd door ijs in het noorden en vuur in het zuiden. Maar wat nou wat schiep en wat nou… Vuur was op het land, barstte uit de aarde en leek de aarde te maken, door vloeibaar land in zee te laten stollen en het later over het land uit te rollen. Soms verzwolg het water weer land, om later ergens boven op een berg weer de weg naar beneden te zoeken. Hoe meer ijs smolt, hoe meer land er kwam en het vuur dichterbij kwam, hoe meer Ginnungagap verdween. Hoe meer ‘niets’ ‘iets’ werd en tastbaar, hoe meer dat iets zich deed gelden, hoe meer de oorspronkelijke leegte en potentie verdween en chaos veranderde in gedeeltelijke voorspelbaarheid als je maar lang genoeg keek. In dat land leefde hij. In de boeken leefden er in die wereld goden en reuzen, dwergen en elfen. In zijn wereld niet. Zijn wereld ‘werd’ zonder listen en lagen, zonder oorlogen en reuzen die bergen omduwden, zonder dwergen die grotten groeven en goud maakten en zonder elfen die konden zien wat er elders gebeurde.

Hij kon uren op zijn buik in het gras liggen kijken naar het leven in de sloot. Naar de salamanders en stekelbaarsjes, naar de watertorren en kikkervisjes. Naar de zacht wuivende waterplanten. De geur van aarde en gras in zijn neus, en later -als hij met zijn schepnetje een salamander had gevangen- die bittere geur van slootwater met een beetje verrotting. Het zand op het strand voelde heel anders aan, zowel anders hard als anders zacht. Het rook anders. En geluk was er ook als hij op zijn rug in water dreef. Het was een wereld waarin alles bij elkaar hoorde. Een wereld met overvloed, die er tegen kon als je een bloem plukte of een vis ving. Die ook hetzelfde bleef toen de oude man aan de overkant van het water voor zijn ogen stierf. Een wereld waarin al het belangrijke onbelangrijk was en alles bleef zijn en worden wat je ook… Een wereld waarin jij hoorde ook, nu, even zo lang je er was, totdat er iemand je plukte en opat of met een schepnetje…. of gewoon, tot je van ouderdom van je krukje viel. Een wereld als een religie, waar alles groter was dan alles wat er was.

Er was wel een wereld met goden, maar die zaten op zondagmorgen in een groot hoog gebouw waar het altijd tochtte. Daar moest je stilzitten op houten banken. Luisteren naar woorden. Goden en woorden hoorden bij elkaar. Buiten, daar waar geen woorden waren, waren geen goden wist hij. Buiten waar je uren stil kon zitten kijken om te vissen of gewoon om te kijken was stil zitten makkelijk. Daar in die wereld van lucht, wind en woorden was dat moeilijk. Er was ook altijd orgelmuziek, wind, lucht die door pijpen werd gejaagd. Orgelmuziek die hem onrustig maakte, niet te vermijden geluid dat je moest ondergaan en hem een gevoel gaf opgesloten te zijn. In dat grote stenen gebouw was maar weinig vanzelfsprekend en veel onlogisch. Er was een God die van je hield maar zo van straffen hield dat je steeds moest luisteren naar verhalen waarin je werd verteld wat je moest doen en laten want anders hield hij niet meer van je. Buiten wàs alles gewoon, werd je niet gestraft, maar had je pech, maar hoorde je erbij zonder ingewikkelde woorden, was liefde liefde tot de tijd om was. Als je ging nadenken en praten over wat er allemaal was, belandde je bang in een groot stenen gebouw en moest je naar een orgel luisteren en doen wat een god zei die duidelijk door vaders leek te zijn uitgevonden om je stil en gehoorzaam te laten zijn.

Maar toch, via die mensen en die goden in de grote stenen gebouwen, kwamen er steeds meer rimpels en rafels, en ook daar buiten, kwamen goed en kwaad hun gezicht laten zien alsof ze wezens waren. Kwamen mensen ook daar gebouwen neerzetten en dingen vernielen omdat het leuk is om te vernielen. En probeerde hij te zoeken naar het verschil tussen een bloem plukken zoals hij dat deed en alles vernielen zoals die anderen deden. Via de goden en de mensen verloor hij onschuld en sloop twijfel zijn wereld in. Twijfel over het verschil tussen ‘natuurlijk’ en ‘schuldig’. Er kwam een dimensie bij via een klein deurtje in een nog leeg hoekje in Ginnungagap. Een dimensie die niet door de aarde, het water of het vuur was gemaakt, maar door de wind die woorden meevoerde. Een nieuw soort element dat je niet kon waarnemen met je zintuigen en er eigenlijk niet leek te zijn, maar toch onverwacht zomaar ineens aanwezig kon zijn De ‘strijd’. Iets wat overal plotseling aanwezig kon zijn, alsof het wachtend op de loer lag en dan alles kon doorsnijden. Dat je kon verrassen terwijl je vredig op je rug naar de wolken lag te kijken. Het hoorde er niet, het wond hem op, hij was er bang van. De opwinding nestelde zich dan als een verlammende bal in zijn maag en darmen. Zijn spieren verkrampten dan en er kwamen woorden, slagregens van woorden in zijn hoofd waar het eerst stil was geweest. Woorden die net zo min in zijn oude wereld hoorden als de strijd die aan die woorden ten grondslag lag. Soms wist hij dan niet wat er erger was: De strijd zelf of die woorden in zijn hoofd die eruit voortkwamen.

In de boeken en verhalen was er bijna altijd strijd. Vooral daar. En de belangrijkste mensen in de boeken en verhalen leken van strijd te houden en waren er goed in. Er waren altijd mensen die niet meededen. Die waren eerst altijd zielig en als de held was langs geweest en de strijd had gewonnen waren ze blij en dankbaar. In de boeken leerde je dat je van strijd moest houden. Maar in zijn wereld was er alleen strijd geweest die natuurlijk was, strijd om te eten. Daar won de schimmel het van het oude hout, at de gaai de eieren van zangvogels, at de koe het gras. Dat was geen strijd, daar werd niet gewonnen. Daar was de overvloed die wel een ei en wat gras kon missen. Waren er genoeg muizen voor de kat en de uil. Maar in de verhalen en de boeken was het als in de hoge stenen gebouwen. Daar kwamen eerst de woorden. Dan kwam het moment dat er iets gebeurde dat er buiten niet was, dan werd er gewonnen. En dan wilde de verliezer in de aanval om ook te kunnen winnen en dat ging dan zo door tot er één stierf of wegging. In de verhalen en de boeken richtte die wil tot aanvallen zich naar buiten, zoals de straf van de goden naar buiten ging naar het gestrafte. In zijn wereld, in zijn leven ging de aanvalslust naar binnen en nestelde zich als een gebalde stalen vuist in zijn eigen maag. In de verhalen en de boeken waren er goden en reuzen en mensen die wilden winnen ook als er geen aanleiding was. Gewoon, sarren en onderdrukken tot de strijd kwam en hun bloed sneller ging stromen bij een nieuwe kans om te winnen. Hij had alleen die stalen vuist in zijn maag en een dragend verlangen naar de wereld waarin dat laatste hoekje nog leeg was… de strijd nog niet door de wind was aangevoerd… en de woorden nog in de kerken leefden en zeiden dat ze god en woord tegelijk waren en daar in die gebouwen wachtten tot je ze weer op kwam zoeken..

En zo nestelde zich de strijd als boosheid om verloren onschuld in zijn vlees. Bestreed hij zijn eigen vuur en zijn eigen wind en woorden die de onschuld van zijn sloot en gras verjoegen. Werd zijn strijd als wil om de onschuld te herwinnen en terug te kunnen geven aan hen van wie hij hield. Zo kon hij die vuist, daarbinnen in zijn vlees, alleen ontspannen als hij buiten was, hij de vogels hoorde, waar het water zacht kabbelde, de wolken joegen zonder zich aan zijn gedachten en woorden te storen. Als de cadans van zijn voeten op het gras of zand de woorden verjoeg, kwam die toestand in zijn lijf weer terug, waarin alles bij elkaar paste, er overvloed was. Die soort zijn was er dan, waarin de grens tussen hem en alles om hem heen vaag en vloeibaar was. Er was dan een soort aanwezigheid waarin er wel gevaar was, maar niet de intentie tot gevaarlijk zijn, die anders soms ook zijn gedrag in de wisselwerking mee bepaalde.

En misschien is “Licht”, in de zin van verLicht zijn, dan juist niet die oorspronkelijke vorm van zijn, maar wél die vorm van zijn in die storm van altijd aanwezige woorden en strijd, die toch de kracht van het onbegrensde één-zijn kan terugvinden. Als die kracht het scheppende en verterende vuur is die de aarde hielp ontstaan en niet het vuur van de wapensmid en het kanon. Als zijn woorden liefde kunnen zijn en verbinden in plaats van verdedigen tegen straf en strijd en daarmee zichzelf te straffen…

Die deur weer te vinden in Ginnungagap… hij staat nog altijd open.

*Ginnungagap is in de Noordse en IJslandse sagen inderdaad de plek, het grote maar begrensde niets, waar vanuit alles is ontstaan. Ik vraag me wel eens af of het woord “ginnegappen” ontstaan is uit die verwijzing naar een leeg niets

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *